Yves T’Sjoen. Over C. Louis Leipoldt en J.H. Leopold

Hartstocht. Melancholie. Wreedheid. Over C. Louis Leipoldt en J.H. Leopold

September 2006. Tijdens het slotdiner van een colloquium georganiseerd door het departement Afrikaans en Nederlands (Universiteit van Stellenbosch), na een optreden van Chris Chameleon met muzikale bewerkingen van teksten van Ingrid Jonker (Ek herhaal jou), bespraken J.C. Kannemeyer – biograaf van onder vele andere Zuid-Afrikaanse auteurs C. Louis Leipoldt (Leipoldt. ’n Lewensverhaal. Tafelberg, Kaapstad 1999) ─ en Jerzy Koch de mogelijkheid van een trip naar de uitgestrekte bloemenvelden van Namaqualand in het noorden van de Kaap. Kannemeyer bezorgde trouwens in het jaar van de biografie bij dezelfde uitgeverij So blom-tuin vol van kleure. Leipoldt oor Clanwilliam. De kilometerslange tocht zou de volgende dagen leiden naar Clanwilliam in de Cederberge en het pittoreske Wupperthal, oorspronkelijk een Duitse nederzetting van de Rheinische Mission in het Tra-Tradal.

Het desolate graf van C. Louis Leipoldt (1880-1947), verscholen tussen robuuste en rood gekleurde rotspartijen van het Cedergebergte, is me altijd bijgebleven. Elk jaar, in een college over de groep Zuid-Afrikaanse schrijvers die voor het eerst dichtwerk in het Afrikaans schreef en de relatief jonge moedertaal als een volwaardige schrijftaal ging beschouwen, lees ik het sonnet ‘Ontnugtering’ van de laatst geborene van het dichterskwintet dat verder bestaat uit Jan F.E. Celliers (1865), Eugene N. Marais (1871), J.C. Langenhoven (1873) en Totius (1877). Leipoldt is bekend als een leidersfiguur van de Tweede Afrikaner Taalbeweging.

De tekst, ontleend aan de Versamelde gedigte die door J.C. Kannemeyer is geëditeerd (Tafelberg, Kaapstad 1980), is door Gerrit Komrij overgenomen in De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten (Bert Bakker, Amsterdam 1999). ‘Ontnugtering’ is het voorlaatste gedicht in Komrij’s ruime selectie van elf teksten uit het werk van Leipoldt.

O liefling, as ek luister na die wind

Wat snags so klaend en weemoedig suis

Deur die eikeboom se blare bo die huis,

Dan dink ek terug aan toe ek nog as kind

Gelukkig was, onskuldig, trougesind

Aan wie ek lief gehad het, sonder kruis

Of bitter hoon wat skielik op kan bruis

En skaars versagting in vergeet kan vind.

Dit was die tyd voor ek jou eers gesien het,

Voor ek kon weet dat liefde wreed kan wees

En ergste smart ’n droef genot kan dra.

Eers na my hart se hartstog jou bedien het

Tot sterwens toe, bankrot aan hoop en gees,

Het ek geleer hoekom die nagwind kla.

Dit klassiek gecomponeerde gedicht omvat veertien regels en een semantische verschuiving ter hoogte van de witregel (of dus de volta) die beide strofen scheidt. ‘Ontnugtering’ maakt gebruik van een gebonden versstructuur en vertoont een vast rijmpatroon (omarmend rijm in de eerste strofe en een symmetrisch opgevat rijmschema in beide terzines). In de aanhef van het monologische gedicht komt een apostrof voor (“O liefling”) en ook in de tweede strofe spreekt de ik-persoon een “jou” aan. De vormentaal van Leipoldt is klassiek. Naast een vast metrum – een regelmatig ritme van meestal tien syllaben en een jambische versvoet ─ kan worden gewezen op het gebruik van uiteenlopende stijlfiguren als herhaling (“my hart se hartstog”), paradox (“”ergste smart ’n droef genot”) en een chiasme (“liefde wreed kan wees/En ergste smart ’n droef genot kan dra”).

Vanuit een ik-perspectief wordt gemijmerd over een onbezorgde kindertijd, toen de verteller nog “Gelukkig [was], onskuldig, trougesind/Aan wie ek lief gehad het”. Zodra liefde en hartstocht in het spel zijn, na de kommerloze kindertijd, verschuift de melancholische stemming die gepaard gaat met een zintuiglijke ervaring (“as ek luister na die wind/Wat snags so klaend en weemoedig suis/Deur die eikeboom se blare bo die huis”) naar een nu-besef van de wreedheid die met liefde wordt verbonden. De metafoor van de weemoedig suizende nachtelijke wind omsluit het gedicht: pas na de katharsis wéét het ik waarom de wind een klaagzang aanheft. Aangezien vergeten geen verzachting teweegbrengt (in de slotregel van de eerste strofe), wordt het ik geconfronteerd met de onmetelijke liefdessmart: “Eers na my hart se harttog jou bedien het/Tot sterwens toe, bankrot aan hoop en gees”).

Dit staaltje van romantische klaagpoëzie, waarin leven (natuurbeelden, liefde en hartstocht) en dood (“Tot sterwens toe”), vreugde (“Gelukkig”) en droefenis (“ergste smart ’n droef genot kan dra”) verenigd zijn, vertoont raakvlakken met de symbolistische poëzie van Leipoldts bijna-naamgenoot maar oudere collega-dichter Jan Hendrik Leopold (1865-1925). Natuurmetaforen, zoals de (nacht)wind en de bladeren van de eik, staan symbool voor de gemoedstoestand van het subject. Het ik voelt zich onbegrepen en staat vereenzaamd in het leven. Ook in de poëzie van Leopold worden de eenzaamheid en de onmogelijkheid met de ander te communiceren gethematiseerd. Alleen in de natuur vindt het ik een zekere symbiose met het leven. Leipoldts gedicht eindigt daarentegen volkomen desolaat en droefgeestig met het beklemtoonde vervoegde werkwoord “kla”.

In het gesluierde licht van de graftombe voor C. Louis Leipoldt, veraf gelegen in het betoverende Cedergebergte, heb ik ‘Ontnugtering’ altijd als een iconisch gedicht gelezen. Wie vermag te schrijven dat de hartstocht voor de (ge)liefde uiteindelijk tot stervens toe dood is, “bankrot aan hoop en gees”, moet de melancholie en uiteindelijk de “ergste smart” van de nachtwind hebben beluisterd. De prenten van toen – toen het ik nog een kind was ─ contrasteren, nà de wending, met het besef dat pas doordringt aan het einde van het gedicht, nadat het leven gevorderd is en een eigen wending heeft ondergaan. De beelden van liefde zijn niet alleen vertederend mooi om te koesteren. Met die “jou”, sinds “ek jou eers gesien het” en vooral nadat die jij de liefde niet langer beantwoordt of zelfs uit het leven is verdwenen (“Tot sterwens toe”), is het besef gegroeid dat liefde met pijn en wreedheid gepaard kan gaan. Misschien wel zoals in dat bekende gedicht ‘Zie je, ik hou van je’ in het debuut Verzen (1890) van Herman Gorter (1864-1927).

Wanneer de bloemen weer zullen bloeien en de lentewind het nieuwe leven aankondigt, wil ik terug naar de piëteits- en betekenisvolle spelonk waar Leipoldts graf een is geworden met de ongerepte natuur van de eeuwige Cederbergen.

Ter nagedachtenis aan John C. Kannemeyer (1939-2011).

– Yves T ‘Sjoen.

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •