Louis Esterhuizen. Kyk, die wind het gewaai.

 

Een van my allergunsteling digters is verlede Vrydag, 5 September, in sy huis in Amsterdam oorlede. Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014) was 91 jaar oud. Afgesien daarvan dat hy ‘n bepalende rol in Nederlandse digkuns gespeel het vanweë sy betrokkenheid by die Vyftigers en ook Cobra, was hy ook die digter van vele digbundels en onder andere redakteur van Podium. Sy bundel De tijd staat open (1997) is met die VSB Poëzieprijs bekroon, terwyl Totaal witte kamer (2003) met die Karel van de Woestijne-prijs en ook die KANTL-poëzieprijs vereer is. In 2009 is die Meesterschapsprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde aan Kouwenaar toegeken en in 1970 is sy werk met die P.C. Hooftprijs vereer. In 1989 is hy die ontvanger van die Prijs der Nederlandse Letteren. Volgens sy uitgewer, Querido, is hul in ‘n staat van rou “om een dierbare schrijver, een fenomenale dichter, die decennialang aan de uitgeverij verbonden was”.

In 2008 het die versamelbundel Vallende stilte verskyn; ‘n keuse deur die digter self ter viering van sy 85ste verjaarsdag. In nog ‘n interessante eerbetoon, tydens sy 90ste verjaarsdagvieringe, moes Kouwenaar se mededigters elk ‘n gunsteling uit sy ouevre kies. Ilja Leonard Pfeijffer se keuse was “Men moet”. By wyse van huldeblyk plaas ek dié gedig, gevolg deur Kouwenaar se kommentaar daarop.

Men moet

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –

Kouwenaar: ““Dit geldt als een klassiek gedicht, zelfs Gerrit Komrij heeft er eens een aardig stuk over geschreven. Het staat in alle bloemlezingen. Een gedicht als dit liet ik vaak maanden of een halfjaar liggen omdat drie woorden me niet bevielen. Tot ik dacht: dit is het. Precies dat is het moment dat ik nu niet meer heb. Dus publiceer ik niets meer. Als ik in een optimistische bui ben, schrijf ik wel. Een tijd geleden heeft een vriend een nieuw lint voor mijn typmachine gekocht. Ik heb veel aanzetten. Maar als ik het dan teruglees, denk ik: ik heb het zelf geschreven, maar het lijkt wel een imitatie.”

Een van die belangrikste – en beste – artikels wat ek egter oor Kouwenaar se werk kon vind, is die essay wat Rutger H. Cornets de Groot ten tye van Vallende stilte se verskyning oor die digter se lewe en werk geskryf het. By wyse van lusmaker, enkele aanhalings uit dié omvattende studie:

Vallende stilte

“Poëzie is, in de opvatting van Kouwenaar, naar aard en wezen totaal, absoluut, een beeld waarin de stroom van het leven tot stilstand wordt gebracht. Dat is één verklaring voor zijn vatbaarheid voor uitdrukkingen als volmaakt, volledig, totaal, voorgoed, van een superlatief als het blindst van de vlek, van ontkenningen als oneetbaar of zonder namen, en van een kleur als zwart dan wel totaal wit […] Kouwenaar aanvaardt dus dat poëzie geen adequate weergave van het voorbijtrekkende leven kan geven. Daarmee volgt hij een andere strategie dan iemand als Tonnus Oosterhoff, bij wie het vaak lijkt alsof wat je leest onder je ogen ontstaat. Dat is wat anders dan wanneer het moment waarop een gebeurtenis zich voordoet samenvalt met de waarneming ervan, zoals bij het nemen van een foto. De waarneming verwijdert zich dan van het waargenomene, en komt op eigen benen te staan. Kouwenaar dicht om zo te zeggen als een fotograaf, die meer belang stelt in zijn foto’s dan in de gefotografeerde werkelijkheid.”

Ten slotte plaas ek twee van my gunsteling Kouwenaar-gedigte.

***

Totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –

Uit: Gerrit Kouwenaar, Totaal witte kamer. Amsterdam: Querido, 2002, p. 38.

 *

Kijk, het heeft gewaaid

op het kleine bladstille plein
lagen groene bladeren die er niet hoorden

het was een zomer zoals het behoorde
totaal als de oorlog die elders woedde

terwijl de stad als een bom lag te dromen
moest er een droom zijn geweest die niet droomde

iets om even te schrikken, in woorden, terwijl
de rivier de vrienden voorbijstroomde

zij spraken over taalgebruik tandbederf aan
staande doden, schatten de roerloze tegenoever

prezen de dag tot diep in het donker, het was
zoals het altijd geweest was –

Uit: Gerrit Kouwenaar, De tijd staat open. Amsterdam: Querido, 1996, p.13

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •