Yves T’Sjoen. Compagnons de route. Een memoir.

Compagnons de route. Een memoir

Met Kees Fens en Rudy Kousbroek in Zuid-Afrika

Yves T’Sjoen

In 2009 en 2012 stelde ik met mijn Zuid-Afrikaanse collega Ronel Foster van het Departement Afrikaans en Nederlands (Universiteit Stellenbosch) vakwetenschappelijke boekpublicaties samen over transcontinentale literaire dialogen tussen Afrikaans en Nederlands. Wij namen de redactie waar van de bundels Over grenzen. Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie/Oor grense. ’n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie en Toenadering. Literair grensverkeer tussen Afrikaans en Nederlands/Literêre grensverkeer tussen Afrikaans en Nederlands.

In het voorjaar van 2015, ter gelegenheid van het emeritaat van Olf Praamstra (Rijksuniversiteit Leiden), haalde ik voor een vriendenuitgave de herinnering op aan een studiereis. Een van mijn vroegste academische passages in Zuid-Afrika had plaats naar aanleiding van een Werkwinkel vir Neerlandistiek die Siegfried Huigen, toentertijd verbonden aan de Universiteit Stellenbosch, in opdracht van de Taalunie organiseerde. Van 7 januari tot 22 januari 1999 was ik als Vlaamse letterkundige uitgenodigd voor twee lezingenreeksen over Nederlandstalige literatuur, respectievelijk in Stellenbosch (13-15 januari) en Potchefstroom (18-20 januari). Mijn Nederlandse sparring partners waren niet minder dan letterkundige heren van stand, met name Kees Fens (1929-2008) en Rudy Kousbroek (1929-2010). De bijdragen van Fens en Kousbroek waren getiteld ‘Nederlandse poëzie’ en ‘Ervaringen als Vijftiger’ (met gedichten van Lucebert, Remco Campert en Gerrit Kouwenaar). Ik koester de kopie van de tekst ‘De meester der meervoudigheid’ met handgeschreven notities van Rudy Kousbroek over S. Vestdijk. Het is me niet bekend of dat essay ooit is gebundeld.

Deze dagen en de geanimeerde gesprekken in een bloedhete West- en Noord-Kaap staan in mijn geheugen gegrift. Ik denk dan terug aan de audio-opnames die Kousbroek liet beluisteren met gezongen en gedeclameerde gedichten door Lucebert. Ik herinner me de boeiende en met anekdotiek doorspekte monologen van Kees Fens, niet minder dan een wandelende literaire encyclopedie, en later tijdens het verblijf de ontmoeting met Henk van Woerden en vriendin. Er waren de warme gezelligheid van Kees’ levenspartner Uta, de hartelijkheid van Kees en Rudy. Ik bewaar een reeks foto’s van die memorabele tweeweekse in Zuid-Afrika. Kees Fens’ Zuid-Afrikaverblijf is onvermeld gebleven in de prachtige biografie Mijn versnipperd bestaan. Het leven van Kees Fens 1929-2008 (2014) die Wiel Kusters samenstelde over de Nijmeegse hoogleraar.

Ik grijp geregeld terug naar de poëziekronieken van Kees Fens. Van de teksten gaat een inspirerende werking uit. Zo is er Loodlijnen (1967), een selectie met columns die eerst in De Tijd zijn gepubliceerd. De bundel is een van mijn uitgesproken favorieten in het literatuurbeschouwende oeuvre van Fens. De naam op dit en vele andere boekomslagen in mijn bibliotheek roept herinneringen op aan de vriendschap die in Stellenbosch en Potch in de Zuid-Afrikaanse zomer van 1999 is ontkiemd. Fens had op dat ogenblik, net als Kousbroek die nog geen twee weken jonger was, bijna de leeftijd van zeventig jaar bereikt. Toen de hoogleraar en criticus in 2004 een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam ontving, mocht ik meewerken aan Kijk op kritiek. Essays voor Kees Fens. Ik herinner me tijdens de studiebijeenkomst in Amsterdam Fens’ blijk van genegenheid en grote erkentelijkheid.

Van die andere belezen spraakwaterval Rudy Kousbroek lees ik om de zoveel tijd naast de dierengedichten de drie delen met Anathema’s, verzamelingen van artikelen die in het Algemeen Handelsblad zijn voorgepubliceerd. We bespraken toen en daar plannen voor een editie met de correspondentie tussen Kousbroek en W.F. Hermans. Het boek is er inmiddels: Machines en emoties. Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek, Ethel Portnoy (ed. Willem Otterspeer, De Bezige Bij, Amsterdam 2009). Het spijt me nog steeds, toen vanwege tijdsgebrek en het promotieonderzoek, dat ik op voorspraak van Kousbroek niet zelf het initiatief heb genomen om de brievenuitgave te realiseren.

Beide heren hebben inmiddels het hogere voor het aardse ingeruild. In het artikel ‘Het pan-erotisch jaar’, opgenomen in het deel ‘Het dier met drie ruggen’ van Anathema’s 2(1970), noteert Kousbroek de volgende behartigenswaardige uitspraak: “Een jaartal is niet zomaar een getal. Van oudsher hebben de mensen geprobeerd om de boodschap der cijfers te doorgronden, en een speciale betekenis gegeven aan jaartallen die zich onderscheiden door een opvallende configuratie”.

Voor mij heeft het jaar 1999 de waarde van een bijzondere Zuid-Afrikaanse herinnering aan twee actoren met een canoniek statuut in de naoorlogse Nederlandse literatuur(beschouwing). Net zoals in het gedicht ‘denkend aan vroegere gedichten’ in de debuutbundel De lenige liefde van Herman de Coninck, dertig jaar voor onze ontmoeting op het zuidelijk halfrond voor het eerst uitgegeven, roept “kees fens [mij] nog na”: “pas toch/een beetje op”.

 

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •