
Een rivier treedt uit haar oevers
Voor een gesprek over Afrikaanse literatuur als onderdeel van een literaire canon van Zuid-Afrika – veeltalig, cultureel divers en inclusief – verwijs ik naar mijn repliek op de lesbrief van collega Roux. Ik kan hier volstaan met een verwijzing naar ‘O se boloke/Bescherm ons’ van DW B (2024) en de inleidende tekst van Alfred Schaffer: Afrikaanse literatuur kan niet afgescheiden worden beschouwd van andere talen en culturen in Zuid-Afrika. Daarenboven is het Afrikaans de aanduiding van een taal met regionale of dus streekgebonden en ook sociale variëteiten (“sociolecten”). Wanneer dit jaar wordt gememoreerd dat het Afrikaans precies honderd jaar zijn ambtelijke status heeft, zo stel ik mij voor, krijgen die meerstemmigheid en de taalvariatie van het Afrikaans en de Afrikaanse letteren ruime aandacht. In een gunstig scenario welteverstaan, want er zijn nogal altijd groepen die er exclusieve opvattingen op nahouden over de herkomst en de vermeende zuiverheid van het Afrikaans.
Die veelzijdigheid van ideeën over het Afrikaans is wat Danie Marais en Erns Grundling als samenstellers hebben beoogd met hun televisiedocumentaire ‘Die stories van Afrikaans’ in opdracht van de Zuid-Afrikaanse zender kykNET. Op 27 april eerstkomend wordt de eerste aflevering uitgezonden (https://www.litnet.co.za/persverklaring-die-stories-van-afrikaans-nuwe-dokumentere-kyknet-reeks-oor-die-geskiedenis-van-afrikaans-gaan-jou-nuwe-oe-en-ore-gee/).
Het beeld van de Afrikaanse literatuur is in honderd jaar fundamenteel gewijzigd. Lange tijd was de canon van de Afrikaanstalige letteren voornamelijk mannelijk, wit en nationalistisch. Dat blijkt nadrukkelijk wanneer we er de Afrikaanse literatuurgeschiedenissen en ook de leeslijsten van departementen Afrikaans aan universiteiten in Zuid-Afrika op naslaan. In die leeslijsten is vandaag gelukkig nogal wat verandering gekomen: ze zijn intussen veel inclusiever dan wat de voorbije decennia aan studenten is aangeboden. Eén variëteit van het Afrikaans kwam daarbij buitenproportioneel aan bod: de literatuurproductie in het Standaardafrikaans, met hier en daar een uitzondering, zoals teksten van Adam Small of Peter Blum in Kaaps-Afrikaans. Vrouwelijke auteurs kregen mondjesmaat aandacht in de kritiek. De inhaalbeweging is natuurlijk verre van voltooid, maar er zijn door docenten met een veel inclusievere visie dan die van hun talrijke voorgangers reuzenstappen gezet.
Nu een woordenboek van het Kaaps wordt gemaakt, krijgt die variëteit van het Afrikaans alvast méér aandacht in de kritiek en in het onderwijs. Ik doel op het Kaaps als literaire taal, maar ook het Namakwaland-Afrikaans of Oranjerivierafrikaans, Khoe-Afrikaans en veel meer variëteiten. Dat gebeurt mede dankzij de schrijvers die zich bedienen van deze taal. Niet alleen in het Kaaps, in tal van variëteiten van het Afrikaans wordt gesproken en geschreven. Ook die talen – taalkundigen spreken over taalvariëteiten – verdienen onze aandacht. Lezers en schrijvers identificeren zich immers met de taal waarin ze opgroeien, die hen verbindt met hun gemeenschap en met de verhalen die worden verteld en doorgegeven in regio- en sociolecten, waarin de moedertaalspreker zich thuis voelt en begrepen weet. Iedereen beweegt zich immers in zijn taal, die veel meer is dan een communicatiemiddel. Het spreekt voor zich dat in een veeltalig en multicultureel sociaal en letterkundig landschap, zeker wat veralgemenend de Afrikaanse literatuur wordt genoemd, niet één variëteit prominentie moet hebben of als normatief geldt en dus exclusief. Afrikaanse literatuur heeft geen vastomlijnde contouren. Anders gezegd: wat is de betekenis van de taalindicator “Afrikaans” wanneer over “Afrikaanse letteren” wordt gepraat? Welke literaire en culturele agenten bepalen de lijnen waarbinnen de literatuur van het Afrikaans zich manifesteert en ontwikkelt? Lijnen en contouren zijn flexibel en gelet op het maatschappelijke (taal)debat voor discussie vatbaar. Dat debat kan wel eens verhit raken in Zuid-Afrika en is sterk ideologisch georiënteerd, helemaal in lijn met de discussies over het project “Afrikaans#100”.
Afrikaanse literatuur als inclusief en divers
Herkenbaarheid, identificatie en vertrouwdheid zijn facetten die een spreker doorgaans verbindt met taal, literatuur en cultuur. In taal zijn culturele en ideologische frames te bespeuren. Anders gezegd: taal is geen neutraal of waardenvrij medium. Vandaar het nut, of neen: de vereiste, in letterkundig onderzoek en kritische literatuur- en cultuurreceptie meer aandacht te hebben voor de veeltaligheid en de pluriculturaliteit van de Afrikaanse taal- en cultuurgemeenschap (dus niét exclusief de Afrikaner cultuurgemeenschap). Door een van de vele variëteiten als gezaghebbend of zelfs overkoepelend voor te stellen, zoals de voorbije eeuw lange tijd is gebeurd met het Standaardafrikaans, wordt literatuur exclusief gemaakt (exclusief in de territoriumbetekenis van uitsluitend). Veel sprekers van het Afrikaans voelen zich in een postkoloniale samenleving allesbehalve gerepresenteerd in de eenduidige en opgelegde normativiteit van een standaardtaal. Wie niet beantwoordt aan de lang overheersende standaard – dus ook in het literatuurlandschap – werd lange tijd buitengesloten: hij of zij nam geen deel van het gesprek over literatuur, werd niet uitgegeven of gerecenseerd, en niet met literaire prijzen bekroond of uitgenodigd op literaire festivals. Daarin komt verandering, zodat linguïstische heteronormativiteit steeds meer het uitgangspunt is geworden voor dat gesprek. Uitsluitingsmechanismen of taalimperialisme worden volkomen terecht als betuttelend ervaren en getuigen doorgaans van kortzichtigheid of gevoelens van morele, etnische of raciale én linguïstische superioriteit. Puristische poortwachters als behoeders van het “zuiver Afrikaans” worden vandaag in Zuid-Afrika gecontesteerd (er zijn uitzonderingen). Omdat deze gatekeepers een beeld in stand houden dat niet accordeert met de actuele pluriformiteit van een taal- en literatuursysteem.
Uitgevers bieden dezer dagen ruimte aan verschillende taalvariëteiten en bijgevolg onderliggende culturele, sociale en politieke scripts. Kaaps ontwikkelt zich behalve als veel gebruikte spreektaal ook als literaire taal, en dus niet alleen Kaaps. Een literaire canon van het Afrikaans laat het mozaïek van kleuren en melodieën zien en horen: de canon behoort inclusief te zijn en divers. Het is deze meertalige canon – met teksten in een polyfonie van zoveel variëteiten die het Afrikaans rijk is – die we in collegezalen en op het publiek forum over het Afrikaans tot klinken dient te worden gebracht. Afrikaans is kortom een overkoepelende aanduiding van meer- of veeltaligheid in een literatuursysteem dat overkoepelend “Afrikaanse letterkunde” wordt genoemd. Afrikaans is de aanduiding een linguïstisch meervoud waarin verhalen worden geschreven van diverse culturen.
Het tekstfragment maakt deel uit van een reeks met beschouwende bijdragen op Voertaal over interacties tussen Afrikaanse en Nederlandse literatuur (‘Brief en repliek’, in samenwerking met Alwyn Roux). In aflevering 8 kan de integrale bespiegeling worden gelezen waarvan bovenstaand extract deel uitmaakt: https://voertaal.nu/brief-en-repliek-5-dw-b-vertalings-lynthia-julius-pieter-odendaal-en-danie-marais/.
‘Brief en repliek’ is een schrijfproject dat wordt ondernomen ter gelegenheid van de gastcollegereeks van Alwyn Roux aan de Universiteit Leiden (februari-mei 2025). Later worden de bijdragen gebundeld in Repliek I. Transnationale trajecten van Zuid-Afrikaanse schrijvers in het Nederlands (2026). In 2027 wordt een boek gepresenteerd die tegenbewegingen laat zien, teksttrajecten van Nederlands naar Afrikaans: Repliek II. Transnationale trajecten van Nederlandstalige schrijvers in het Afrikaans.
Versindaba publiceert binnenkort een reeks met onderhouden van Alwyn Roux en Yves T’Sjoen met literaire actoren die vandaag een sleutelpositie innemen in de cultuurtransmissie van teksten in beide literatuursystemen.
