Posts Tagged ‘Swartbergpas’

Chris Coolsma. Bevroren momenten

Saturday, February 27th, 2010

Bevroren momenten

Dikwijls verbaas ik me over de hardnekkigheid van ingeslepen beelden bij herinneringen aan plekken en personen. Het eerste beeld dat bovenkomt als ik aan een pianostuk van Bartok begin, is een grijs stenen gebouw in Utrecht, waarvan ik vroeger dacht dat het Utrechts Conservatorium er gevestigd was. Als ik aan mijn ouderlijk huis denk, zie ik eerst de zanderige bostuin voor me, met klimbomen en een schommel. Onmiddellijk klinkt in mijn hoofd het geluid van het stemwijsje van mijn vader uit de werkplaats waar blokfluiten werden gebouwd. De plaatsnaam Zeist (mijn geboorteplaats) start de film van een blauwe tram die het treinstation uitrijdt. Amsterdam werpt licht op de van Baerlestraat voor het Concertgebouw, waar een toevallige ontmoeting de loop van mijn leven voorgoed veranderde. Herinner mij aan Zuid Afrika en ik zie een dreigende massa van okergele rotsen boven me, een rondawel en een weg die voor en achter ons als bij toverslag verdwenen is.

Twee van deze bevroren momenten zijn vals. Het Conservatorium was niet in dat gebouw gevestigd en na de Tweede Wereldoorlog reed er geen tram meer door Zeist. Toch verschijnen de beelden telkens weer als eerste en, sterker nog, ik geloof meer in hun waarheid dan de waarheid die waar is. Nu is dat wel bekend, we construeren ons eigen verleden en die constructies vervangen de werkelijkheid. Dat gaat nogal willekeurig in zijn werk. Zoals Cees Nooteboom schreef: het geheugen is een luie hond, die gaat liggen waar hij wil.

Al deze eerste beelden worden direct weggevaagd door tal van andere. Ze zijn indringend maar vluchtig en er aan blijven denken wist ze uit. Er zijn maar een paar beelden die zo krachtig zijn, dat ze het altijd winnen van alle andere. En dat ze los blijven staan als een monument van een moment. De eerste keer dat ik mijn latere vrouw zag. Ze droeg haar donkere haar in vlechten en gluurde vanaf een balkon naar mij, zoals ik naar haar gluurde. We waren 14 jaar oud. De eerste keer dat ik het klaslokaal van de lagere school binnenstapte (maar dat is vooral de herinnering aan een geur van lijm en inkt). Het moment waarop ik hoorde dat ik geslaagd was voor mijn eindexamen (ik stond aan een langgatboormachine in een stofwolk onderstukken van blokfluiten uit te boren).

Swartbergpas

De werking van zo’n eerste beeld doet mij erg denken aan de eerste zin van een nieuw gedicht. Ook die dient zich aan als eerste gedachte en wordt, als ik hem niet snel noteer, onmiddellijk overspoeld door andere. Ook die heeft een intensiteit die alleen de eerste ervaring van een bijzondere gebeurtenis heeft. Waarschijnlijk is het juist die intensiteit die er voor zorgt dat zulke openingsbeelden voordringen in ons geheugen. Ze zijn verbonden met een heftige emotie. Zonder er nu studies op na te slaan (Douwe Draaisma schreef er fascinerend over) geloof ik erg in wat ik hier schrijf. En ik geloof ook dat schrijven van dichten heel veel te maken heeft met het zoeken naar beelden met die intensiteit. Wat onherroepelijk effecten heeft op de lezer. Als een gedicht geslaagd is, roept het emoties bij de lezer op, die de schrijver wilde oproepen en die aanvankelijk tot het schrijven van het gedicht leidden. Als die eerste zin een bevroren moment was, wordt de zin op zich dat voor de lezer.

Heb ik nu erg veel woorden gebruikt om het amandelkoekjeseffect van Marcel Proust uit te leggen? Misschien, misschien. Daarom weer snel terug naar die avontuurlijke reis over de Swartbergpas. Wie de weg vervolgt naar het Noorden, raakt al snel verward in grillige ravijnen tussen hoge bergen. Tijdens onze rit stopten we ergens bij een rondawel. Rond ons rezen overhellende rotswanden op. Mijn echtgenote verzuchtte: ‘Hier is God wel erg kwaad geweest’. Die zin en de beelden van die plek bleven haken in mijn geheugen en een maand later ontstond dit gedichtje:

Na de Swartbergpas voor Prins Abert

In de kloof met de verwrongen wanden

zei je dat Hij hier wel erg kwaad was geweest

 

Ik dacht aan miljoenen jaren stuwing

van magma, aan miljoenen jaren kabbelen

en slijpen van een rivier

 

Maar ik zweeg

want ik wist niet zeker

of Zijn woede wel over is.

**

Is dit eigenlijk wel een gedicht? Of beter gezegd: behoort dit gedicht niet tot de 99% terecht niet gepubliceerde gedichten van de 1 miljoen rijmelende Nederlanders waar Robert Anker op doelt in zijn artikel in De Groene Amsterdammer van 21 januari 2010 (‘Het schandaal van de poëzie’)? Daarover een volgende keer. Als ik durf.

 

(Chris Coolsma)

 

 

Andries Bezuidenhout. Vier grondpadpasse na liefde vir die poësie

Friday, January 8th, 2010

Ek weet ek is hierdie maand veronderstel om te skryf oor waar my liefde vir die poësie vandaan kom. Ek het egter ʼn ruk gelede my derms daaroor uitgeryg en ek moet besluit of ek nie maar eerder net ʼn skakel daarnatoe moet plaas nie. Intussen sit ek nog in verwondering oor die paaie wat ek en Irma hierdie Desember deur die Karoo gery het. So eerder as om oor gedigte te skryf, wil ek ʼn paar aanbevelings maak oor plekke om heen te reis. Dis nou as ʼn mens nie te erg aan hoogtevrees  ly nie, of nie omgee om op grondpaaie te ry nie.

Die pad tussen Sutherland en Merweville
ʼn Mens ry suidwaarts uit Sutherland en draai dan links, op die grondpad in Merweville se rigting. Jy ry deur die Roggeveld, dan oor Komsberg se eskarp, tot jy in die Koup kom. Dit neem ʼn tydjie voor ʼn mens op die eskarp beland, maar dan kan jy ver sien – tot by die Groot Swartberge. Ons het hierdie pad sewe jaar gelede gery en hierdie keer ʼn aangename verrassing in Merweville gekry. In vergelyking met sewe jaar gelde lyk dit soos ʼn splinternuwe dorp. Amper al die huise is gerestoureer. (Dis die geval in baie van die dorpe wat ons weer besoek het.) Of dalk is dit maar net dat ons deesdae lugversorging en ʼn dieselenjin het, en nie heeltemal so hot en bothered is na ʼn lang grondpad nie.

Hier is by eerste poging om die dag op hierdie pad te beskryf:

WEGRAPING
(op die pad tussen Sutherland en Merweville)

                                           Kersdag,
laat-oggend reeds ʼn warm spieël.
Ons diesel oor die Komsberg-eskarp,
deur die Koupvallei met die Dwyka langs,
padkos en rooibos op ʼn naamlose pas:

Dóér suid, die Swartberge
met Gamkaskloof se pad na Die Hel.

Hier net leksels lewe op ʼn droë tong –
oorstuurde graatjiemeerkatte,
merino’s gebondel langs ʼn yl peperboom,
windop, hoog, ʼn slangarend se spikkels.

Van menselewe slegs die spore
van ʼn slingerende donkiekar
wat in ʼn rivierloop opdroog.
Skynbaar is almal kerk toe,
of stoel by skottels geofferde dorpers
in donker vertrekke op werwe
met trekkerwrakke en populiere.

Miskien uiteindelik die wegraping,
lag ons, en ons al wie oorbly,
salig onbewus van die merk van die Bees
bo ons wenkbroue.

Vir ingeval, nét vir ingeval,
hou ons tóg op blindehoogtes links.

(25 Desember 2009)

Die Swartbergpas
Ek hoef seker nie veel hieroor te sê nie. ʼn Mens vind die pad Gamkaskloof toe (ook bekend as Die Hel), op hierdie pas. Aan die een kant van die berg sien jy die Moordenaarskaroo, die Klein-Karoo aan die ander kant. Jy ry om haarnaalddraaie, langs klipmuurtjies, skrams verby asemrowende afgronde. Dis geen wonder dat sommige mense weier om dit vir ‘n tweede keer te doen nie; dit kan ‘n skrikwekkende ondervinding wees as jy ‘n senuweeagtige bestuurder met hoogtevrees is.

Die pas is in 1888 reeds geopen. Thomas Bain het die droëklipmetode gebruik om dit te bou. Dis nogal vreemd om te dink dat die klippe van die slingerpaadjie waarop ‘n mens langs die skerp afgrond ry, bly staan bloot omdat hulle heel noukeurig op mekaar gepak is. Daar is geen sement of ander bindmateriale gebruik nie. Tog, vir meer as ‘n eeu nou word die pas gebruik sonder dat die seismiese aktiwiteite in die berge ‘n ineenstorting veroorsaak het.

Daar is ongeveer honderd en vyftig grafte van gevangenes wat omgekom het met die bou van die pas. Gevangene-arbeid is gebruik om die koste te verminder van ongeveer £25 000 na net meer as £10 000. Moordenaars en ander gevaarlike gevangenes is vasgeketting terwyl hulle klippe gekap het. Indien daar spoke in die bergpas is, sou ‘n mens waarskynlik maklik verklarings daarvoor kon vind.

Ouberg se pas
Vir meer as ʼn eeu jaag mense skape met hierdie roete van die Roggeveld af na die Ceres-Karoo (sommige mense noem dit die Tankwa-Karoo, ander sê dis twee streke, die een noord en die ander suid). In die winter is dit te koud vir die skape om op die Roggeveld te oorleef. Mense hier rond het dus plase bo en onder en trek saam met die seisoene tussen die twee. In die laat-1960s het die boere in die omgewing die regering versoek om die roete toeganklik vir voertuie te maak. Die pas is in 1969 voltooi. ʼn Mens kan die Cederberge van hier af sien.

Die Gannagapas
ʼn Mens ry terug Roggeveld toe met hierdie pas, in die rigting van Middelpos, wat tussen Sutherland en Calvinia aan Karoobossies vasklou. Die pas is deel van die Tankwa-Karoo Nasionale Park, een van die land se nuwer reservate. Die reservaat is besig om uit te brei en het nou akkommodasiegeriewe. Daar’s blyplek aan die bopunt van die pas – Gannaga Lodge, of so iets. Ag, ek sal sukkel om die uitsig te beskryf sonder om in clichés te verval waaraan ek myself reeds skuldig gemaak het.

Terug by die tema van die maand, dan. Hoe kan ʼn mens nie gedigte wil skryf as jy súlke paaie kan ry nie? Hoe kan jy nie die landskap se wonderlike, maar tragiese geskiedenis wil ontgin nie? Vir my vroeër bydae oor waar my liefde vir die poësie vandaan kom, gaan kyk gerus hier. Vir eers het ek niks meer hieroor te sê nie, behalwe dat ek onwetend gelieg het oor die feit dat ek ʼn tangverlossing was. Dit was my ouer broer.

  •