Om Jan de Bruyn raak te lees

Jan de Bruyn

Jan de Bruyn

Dit bly tog vreemd wat alles daartoe aanleiding kan gee dat ‘n mens ‘n nuwe digter raaklees. So laai die nuutste uitgawe van Meander voor verlede week in my elektroboks af; dit is ‘n newelrige Sondagoggend en ek is allermins lus vir rekenaarwerk. Wil summier die program toemaak en elders heen gaan … Maar die lys van digters waarop in dié uitgawe gefokus word, vang my oog: Jan de Bruyn, Joris Lenstra en Tone Hødnebø.

Jan de Bruyn?! Ons eie totaal miskende, halfvergete digter van Te bruin vir groen wat enkele jare gelede oorlede is? Het iemand dalk van sy gedigte na Nederlands vertaal en dit vir Meander gestuur, wonder ek half deur die slaap en kliek deur na die webblad om te begin lees. En nee, dis nie onse Jan nie; ‘n radikaal ánder Jan de Bruyn (veel jonger, bygesê), maar hel. Kan dié man dig … En voor ek my kan kry, begin die entoesiasme prut.

Volgens die onderhoudvoerder, Jeroen Dera, die volgende by wyse van agtergrond: Jan de Bruyn (1959) publiceerde onlangs in Het Liegend Konijn, een van de belangwekkendste poëzietijdschriften in het Nederlands taalgebied. Zijn publicatie kwam in die zin uit de lucht vallen, dat De Bruyn een relatief onbekende figuur in de poëziewereld is. Tijd om deze dichter van sprookjes nader te introduceren.

Die onderhoud is maar so-so; dog, De Bruyn se antwoord op die vraag hoe hy sy digkuns sou tipeer, het ek wel interessant gevind: “Ik ben geneigd om mijn gedichten als sprookjes te bestempelen. Niet uit bescheidenheid of omdat ik er een Oosters georiënteerde visie op nahoud, maar omdat de suggestieve, bijna surreële kwaliteit die sommige dichters met eenvoudige middelen weten te bereiken, altijd een inspiratiebron voor me is geweest. […] Ik tracht binnen het bestek van pakweg een halve pagina een verhaal te vertellen, dat misschien niet helemaal strookt met de werkelijkheid zoals we die dagelijks ervaren, maar er toch alle schijn van heeft. Elk gedicht, waarvan ik de details zo realistisch mogelijk tracht in te kleuren, kent echter zijn een eigen wetmatigheid, zoals dat ook met een sprookje of een droom het geval is. […] Ik hecht er nogal belang aan dat het eindresultaat niet alleen inhoudelijk, maar ook visueel aantrekkelijk is. Soms kom ik er niet uit en blijft er een hinderlijke rafelrand zichtbaar, zoals je bij een spelletje patience ongewild met een paar kaarten kunt blijven zitten. Een uitwaaierende zin, een beeld of een binnenrijm dat net niet ten volle tot zijn recht komt, probeer ik dan eerst nog aan te passen, zonder dat de balans verstoord wordt.”

Hoekom? Wel, dit dui daarop dat die sogenaamde anekdotiese vers wat tans so ‘n bloeityd in ons eie digkuns beleef, hoegenaamd nie rafelrig of woordryk hóéf te wees nie; dieselfde effekte kan steeds verkry word met die minimum woorde en effekte. Soos die gedig “Dit geheel terzijde” hieronder van getuig.

Die volledige onderhoud kan by Meander gelees word. So ook die meegaande gedigte.

En ja, hoe dan anders? As huldeblyk plaas ek ook van ons eie Jan de Bruyn se gedigte onder aan dié van sy naamgenoot. Ek vermoed dat dit hul albei tot eer strek.

***

Sedert gister het daar ‘n nuwe bydrae deur Amanda Lourens bygekom; ‘n blog waarin sy oor ‘n besonderse nanny-gedig van Melt Myburgh skryf. Dan is daar ook ‘n nuwe gedig deur Joan Hambidge in haar gedigtekamer en Bernard Odendaal se fotobeeld wat gisteraand geplaas is. Fassinerende leesstof, inderdaad.

So – geniet dit alles.

Mooi bly.

LE 

 

Dit geheel terzijde

 

Onder het wateroppervlak is de vijver ontroerd
als gouden wolken voor de zon schuiven

en er een oud licht hangt, alsof er op oesters
en citroenschillen te dicht is ingezoomd.

Daarbij gerekend het inzicht dat windhonden
de meest vreemde stemmingen horen

en gelijkmoedig blijven.
Zoals iemand een luit neerlegt

en in het oor van de geliefde fluistert:
ach orlando, de liefde, liefste,

dit alles is bevroren in de tijd, waarop roemers
en vruchten een rookkleur krijgen,

voetstappen zich verwijderen
en een deur dichtvalt.

 

(c) Jan de Bruyn (Meander 403, 28 November 2010)

 

***

 

Behalwe dat ons ewe tongig

met hamer- en skalpelwoorde is

is jy so maklik diemoerinmaakbaar

is ek so ‘n goeie diemoerinmaker

dat ons ons vredes in stiltes meet

en ons stiltes in sekondes

 

maar ag my lief hoe soet

hoe soet

is die wedervat

en die blus van vuur met vuur

 

(c) Jan de Bruyn (Uit: Te bruin vir groen, 1987: Human & Rousseau)

 

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •