Louis Esterhuizen. Pleidooi vir vernuwing in poësiekritiek

 

Op De Reactor het die digter Arnoud van Adrichem (foto) onlangs ‘n pleidooi vir vernuwing in die poësiekritiek geplaas, aangesien hy van mening is dat die kritici tans gewoon nie in staat is om die nuwer, meer eksperimentele (en dikwels “betrokke”) poësie na waarde te skat nie. As voorbeeld gebruik hy die reaksies wat verskyn het op Tonnus Oosterhoff  se mees onlangse bundel, Leegte lacht. Veral Arie van den Berg se resensie wat in die NRC Handelsblad verskyn het, word voor stok gekry:  “Het werd een nogal plichtmatige bespreking. Hij komt niet verder dan het debiteren van gemeenplaatsen en noteert om de haverklap nietszeggende observaties […] Nergens biedt hij aanleiding tot debat over, ik noem maar wat, de veranderende aard van poëzie onder de invloed van nieuwe media. Van den Berg heeft nauwelijks affiniteit met zijn onderwerp (experiment is eng) en voert bovenal een verplicht nummer op.”

Van Adrichem sluit sy betoog met die volgende sterk verwoorde stellingname: “Het probleem is nu dat recensenten als Van den Berg deze poëzie in zekere zin pacificeren door consequent af te zien van een geëngageerde lectuur, alsof de literatuur en de maatschappij twee gescheiden domeinen zijn. Ze weigeren geëngageerde gedichten te lezen in het licht van actuele discussies over de wereld van vandaag. Al te vaak komen ze aanzetten met een cleane, strikt ‘literaire’ en daardoor vrijblijvende bespreking die vooral de eigen autoriteit lijkt te willen bevestigen. Ze richten zich met name op consumentenadvies (‘koop deze bundel wel/niet’) en gaan jammerlijk voorbij aan de poststructuralistische kritiek die de blinde vlekken in de taal en het wereldbeeld zichtbaar wil maken.”

Sjoe. Na aanleiding van bogenoemde het Chrètien Breukers van De Contrabas dan ook ‘n onderhoud met  Van Adrichem gevoer. Ek gee hieronder ‘n enkele aanhaling:

CB: Wat ik in je stuk lees, is dat je pleit voor een geëngageerde lectuur van dichters, een lectuur die meer (ander) licht op hun werk werpt en de band tussen poëzie en publiek herstelt. ‘Literair’ bespreken zie je, als ik het goed zie, als ‘beperkend’.

AvA: Ik vind een louter ‘literaire’ bespreking van poëzie inderdaad te beperkend. Veel critici houden zich eerst en vooral bezig met, zeg, klassieke ‘indicatoren’ als samenhang, intenties, kwaliteit (waarbij ‘kwaliteit’ trouwens erg benauwd wordt opgevat), enzovoorts, terwijl er zo veel meer over poëzie te zeggen valt, zelfs in het korte bestek van een kranten- of weekbladrecensie. Om slechts enkele vragen te noemen die kunnen bijdragen aan de relevantie en urgentie van de hedendaagse bespreekpraktijk. Voor welke problemen en uitdagingen ziet de poëzie zich tegenwoordig gesteld? Wat is de relevantie van poëzie voor onze tijd? Wat betekenen de snelle veranderingen in het medialandschap voor de poëzie? En hoe verhoudt de Nederlandstalige poëzie(kritiek) zich eigenlijk tot internationale poëticale ontwikkelingen?

Opvallend is verder dat recensenten doorgaans niet op elkaar reageren (alsof ze opereren in een discursief vacuüm), waardoor het poëziedebat niet van de grond komt. Het is al te vaak een losse verzameling van particuliere observaties en meningen. Ook komt het maar zeer zelden voor dat critici hun beoordelingsproces publiekelijk ter discussie stellen. Of dat ze hun lezers laten ervaren hoe poëzie kan aanzetten tot, ik zeg maar wat, een herijking van de eigen premissen en vooroordelen, zowel op het gebied van kunst als politiek.

Helaas, kritiek op die kritiek vind ek wel, maar geen aanduiding van presies hóé die Nederlandse kritiekvernuwing hanteer of geïmplimenteer moet word nie … Daarteenoor kan ek maar net sê dat ons hier ter lande weer besonder geseënd is met uiters bedrewe kritici wat selfs die mees uitdagende bundels met groot sorg en oordeel kan hanteer. (Toegegee, ons beskik nou darem ook nog nie oor digters met die eksperimentele flair van ‘n Oosterhoff nie!)

Nietemin, in my soeke na ‘n toepaslike vers deur Van Adrichem kon ek egter net die volgende aanhaling uit Erik Lindner se deeglike resensie van Van Adrichem se bundel Vis opspoor. Die resensie het in De Groene Amsterdammer verskyn.

 

Niets tastbaarders kunt u zich indenken dan een appel,

rood van opwinding, het koude zweet op zijn schil, alsof

hij weet van de mond (een soort van vrucht) die hem hap

na hap naar de vergetelheid zal eten, zijn zaden uitspuwt

op rulle, pitloze gronden om nieuwe slachtoffers te maken,

verse beten te zetten. Maar zo moet u niet denken: die appel

voelt daar niks van, die verlangt juist naar tandafdrukken

in zijn vlees, het binnenste naar buiten, de warme adem

op zijn buik, naar niets meer dan een natte herinnering

aan ergens een paradijs.

 

© Arnoud van Adrichem (Uit: Vis, 2008: Contact)

 

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Louis Esterhuizen. Pleidooi vir vernuwing in poësiekritiek”

  1. Desmond Painter :

    “Al te vaak komen ze aanzetten met een cleane, strikt ‘literaire’ en daardoor vrijblijvende bespreking die vooral de eigen autoriteit lijkt te willen bevestigen.” Goed gestel.

  •