Luuk Gruwez. Pleidooi voor het nu

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. PLEIDOOI VOOR HET NU

In het motto van ‘Uitzicht genoeg’, de jongste bundel van Marjoleine de Vos, zet Wieslaw Mysliwski al meteen de toon: ‘Nee, je keert nooit meer terug naar dezelfde plek. Eerlijk gezegd bestaat die plek niet meer en zelfs de mogelijkheid om ergens terug te keren bestaat niet.’ Vele van deze gedichten beschrijven niettemin zoektochten, vaak gestoffeerd met mythologische referenties aan fameuze reizigers: Aeneas, Odysseus of Gilgamesj, bijvoorbeeld. De dichter realiseert zich al heel snel dat eeuwigheid niet bestaat of dat zij onvatbaar en onbereikbaar is, maar zij lijkt zich ermee te verzoenen dat het uitzicht erop al voldoende is. Voor eeuwig mogen wij dan al niet bestemd zijn, maar het volstaat ernaar te kunnen kijken vanuit ons afgebakende hier en nu. Je moet in het leven overigens niet te ver kijken. ‘Dat wat je zoekt is hier,’ staat al in het eerste gedicht te lezen. En dat is meteen het hoofdthema.

Het gaat in deze poëzie voortdurend om de spanning tussen wat groter is dan wij en de beperktheid van onze vermogens. De dichter schaart zich nooit aan de kant van de goden, maar altijd aan die van de mens. En zij levert daarbij een stevig pleidooi voor het momentane. Mensen zijn veel te vaak geneigd zich te laten ringeloren door de gedachte aan het onmeetbare dat hen omringt: ‘Wij zingen heimelijk mee maar praten / over het Niets dat ons draagt en / dat we niet begrijpen.’ Dieren als hazen hebben niet zulke dwaze obsessies en pretenties: hun gaat het er juist om vrij te zijn, vrij van ‘mensenvragen’, vrij van een soort denken dat de beleving van het heden belemmert.

Marjoleine de Vos geniet in Nederland ook bekendheid als culinaire columniste. Iets van die directe zintuiglijke belangstelling straalt misschien wel af op haar gedichten. Het onmiddellijke genot is bij haar namelijk nooit verdacht, integendeel. Ze vindt het voor een appel bijvoorbeeld geen slecht vooruitzicht in een taart te eindigen. Wij gaan er trouwens veel te dikwijls van uit dat de tijd ons vijandig gezind is, vindt zij. Vandaar dat zij alle tijden van een mensenleven verzoent, alle metafysica in het bestaan incluis. Heden, verleden en toekomst vloeien onontwarbaar in elkaar over. ‘Geef heimwee naar de toekomst / dus geen kans, je bent er immers al,’ heet het. Dit maakt dat in alle tijd een zekere tijdloosheid verscholen zit. Er zit alleen geen plan in het bestaan en dat is goed: ‘Zoals een wandeling geen doel heeft / maar wel richting kiest.’ Het levert poëzie op met een hoog Carpe Diem- en Paradise Now-gehalte. Bestemming is iets waarvan wij ons moeten zien te ontdoen. Er mag dan al geen perfect geluk denkbaar zijn in het heden, wij hoeven ons daardoor niet van de wijs te laten brengen: ‘Elk paradijs is al voorbij, precies daarom / zijn wij er zo gelukkig geweest. Maar / ‘t echte feest is altijd nu (…).’ Nogmaals: ‘Uitzicht genoeg.’ Het is precies de vergankelijkheid van de tijd die er de kracht van uitmaakt en voor wie zich zijn sterfelijkheid niet realiseert is er aan het leven ook geen enkele lol te beleven. Bovendien ondermijnt Marjoleine de Vos de eindigheid van de tijd. Iets van ons blijft kennelijk altijd overeind of komt terug. Zij ziet ook het schrijven als een (mogelijk krakkemikkige) poging om het bestaan te recyclen: ‘Er huist geen groot schandaal in leven / dat verdwijnen moet om nog onwennig / op te staan in een herschreven vorm.’

Is er dan geen enkel moment waarop getwijfeld wordt aan de waarde van een leven dat gedoemd is te eindigen? Toch wel. Op zeker moment krijgt Nestor, een oude man, het woord. Hij evalueert het parcours dat hij heeft afgelegd niet als dat van een zinvolle reis, maar als een gependel tussen niets en niets. Zijn conclusie leidt niettemin tot een duidelijke directive aan wie jonger is: ‘Spaar niet. Leef hevig. Hoepel op. Jij met je levensvreugd.’ In een gedicht over een in heimwee verdrinkende Odysseus, weerklinkt dezelfde doelloosheid van elke reis en de onmogelijkheid van elke terugkeer: ‘Wie van huis gaat, komt niet weerom.’ Toch lijkt de dichter ons te willen voorspiegelen dat er iets is dat de eindigheid overtreft. In het allerlaatste vers van de bundel lezen wij namelijk dit: ‘De liefde van Indroe en Gilgamesj was groter dan de dood.’ Het is alsof hier wordt gesuggereerd dat het moment, als er maar voldoende intensiteit aan toegekend wordt, zich ontdoet van wat vergankelijk is. Daar is alleen maar liefde voor nodig.

_______________________

MARJOLEINE DE VOS

Uitzicht genoeg

uitgeverij Van Oorschot, 59 blz., 14,50 euro

 

STERREN:

****

 

KRINGLOOP

 

En steeds is alles op zijn mooist: van start

in volle bloei tot rood en krachtig kaal.

Er huist geen groot schandaal in leven

dat verdwijnen moet om nog onwennig

op te staan in een herschreven vorm.

We spreken over ons bestaan, we lachen

willen hier zijn, altijd hier. Zoals de vlier

heel oud al in zijn ziel, maar graag bereid

tot flierefluiten voor wie wil.

 

Marjoleine de Vos

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •