Yves T’Sjoen. “[D]ie koue bewe”. Stilstand en beweging in de orphische ruimte van Breyten Breytenbach

 

“[E]k is die ruit wat jou landskap stom maak”. In deze versregel wordt een vernietigende spiegeling gethematiseerd. “[J]ouw landschap” wordt “stom” gemaakt, dat wil zeggen zonder de mogelijkheid ooit nog van repliek te dienen, te spreken. En dat terwijl het ik, zoals nog zal blijken, een “brief […] vol woorde” heeft. Tegelijk wordt benadrukt dat de narcistische of overmoedige ik-figuur de ander zonder verweer maakt, het landschap paralyseert en de jij-figuur tot de verdoemenis veroordeelt. Ik verklaar me, na een bibliografische duiding, met een korte beschouwing nader.

1. Lady One

Voor de Amsterdamse uitgeverij J.M. Meulenhoff stelde Breyten Breytenbach een thematische anthologie samen uit zijn verzamelde poëzie. Met de titel Lady One (2000), ook de titel van het korte openingsgedicht, verzamelde de schrijver 99 “liefdesgedichten”. De genreaanduiding is hier en daar misleidend. Dichters moet je immers niet op hun woord geloven. Evenmin de dichtende zwerver in het gedicht dat ik hier beschouw. De openingstekst van Breytenbachs bundel gaat als volgt: “dame dame enkel dame/jy met al die baie name/het ek jou uit my slaap geroep?//vrou van al my trose en skame/die see vol sterre skuim één sloep/ek vou my hane saam en sê ame”. Het rijmpatroon verleent de tekst en vooral de apostof (“dame”) een wat lepe inhoud. Ik weet niet of het “hane” of “hande” moet zijn maar dat “ame” verleent de tekst ook al een wat tricky inslag. De Nederlandse publicist Robert Dorsman, bekend van veel vertalingen uit de Afrikaanstalige literatuur, voorzag de eentalige Afrikaanse editie van een reeks lexicale annotaties. De zelfbloemlezing van Breytenbach, zoals gezegd een verzameling met eerder bij Zuid-Afrikaanse uitgevers verschenen bundels (behalve de Meulenhoff-bundels Skryt en ‘Verspreide Gedigte’ in Met andere woorden), was gericht op een Nederlands leespubliek.

Volgens de inhoudsopgave was 1985 een bijzonder productief jaar voor Breytenbach op het gebied van de poëzie. De Zuid-Afrikaanse schrijver selecteerde gedichten uit Lewendood (4), Buffalo Bill (6), Eklips (9) en (‘YK’) (6) die alle dat jaar, drie jaar na diens vrijlating, zijn gepubliceerd.

2. ‘autobiotrophy’

Het is verleidelijk, in het vanuit een esthetisch opzicht misleidende raamwerk van de persona pratica, het gedicht ‘autobiotrophy’ te lezen. Ik presenteer hier eerst de brontekst en wijd dan enkele beschouwingen aan het 25-regelige gedicht.

 

autobiotrophy

 

net snags voel mens die koue bewe

dit moet stil wees van skok in die wêreld

wat tog winters niks kan voel

daardie heerlike niks

 

en ek mis jou so

ek stik vir jou ’n brief

die boodskapper loop

deur geswolle riviere

met stil mikstok

waar bruisend wit ysskotse smelt

(uit die niet getuimel)

soos die gedagte aan eende

te swaar van koue uit ’n nag sonder einde

water word

my brief is vol woorde

water word

 

die stroom is ’n skuit

ek staan jou by hoe magtig is ek

’n god in die diep poel van gedagtes

ek is die ruit wat jou landskap stom maak

en die boodskapper krom geglas deur die nag

nader bring om voor jou te lê

die koue bewe vasgepen in papier

 

die een hand was die ander

tot op die kaalgestroopte swerwersfluit

 

3. Een anekdotische lezing

Het woord “mikstok” (r.9) wordt verklaard als wichelroede, volgens Van Dale een gaffelvormige wilgen- of hazelaartak waarin personen, die volgens de lexicografische betekenis daarvoor “gevoelig” zijn, water of metalen onder de grond kunnen detecteren. Sturend voor een interpretatie van de tekst is, zoals meestal, de titel. Het woord ‘autobiotrophy’ is een contaminatie van “auto” (zelf) + “biotrophy” (een Engels woord samengesteld uit “bios” = leven en “trophy” = “feeding”). “Biotrophic” is de parasiet of het organisme dat alleen in staat is te overleven bij de gratie van andere organismen (zoals carnivoren en herbivoren). Indien de titel letterlijk wordt genomen, presenteert dit gedicht een autobiografisch verhaal waarin de geliefde of de muze als een existentiële voedingsbron wordt opgevoerd. Op een ander niveau lijkt het tegendeel waar. Het verlangen naar de geliefde kan het paar ook in het verderf storten.

De tekst kan zonder meer vanuit een anekdotisch framework worden zin gegeven. Lady One is opgedragen aan Hoang Lien, de Franse vrouw van Aziatische origine met wie Breytenbach door het leven gaat.

4. Een intertekstuele lezing

Interessanter is een metaforische en intertekstuele lezing van de tekst. Het gedicht kun je, behalve vanuit de titel als paratekst, ook vertrekkende bij het laatste woord betekenis geven. De “swerwersfluit” kan dan refereren aan de centrale orphische thematiek. Orpheus, de mythische zanger, was volgens de ovidiaanse overlevering in staat met de door Apollo geschonken lier mensen, dieren en ook de “onbezielde” natuur tot zachtheid te brengen (Van Dale). Het tragische oerverhaal over Orpheus en Eurydice resoneert op een particuliere wijze in de tekst van Breytenbach.

Tot drie keer wordt de lezer er op gewezen dat de setting van dit gedicht de nacht is (“net snags voel mens die koue bewe”, “te swaar van koue uit ’n nag sonder einde” en “die boodskapper krom geglas deur die nag”). De nachtzijde van het bestaan kan vanuit het hier aangekaarte mythologische perspectief als een referentie aan de onderwereld worden gelezen. ’s Nachts voelt een mens een onwezenlijke koude bewegen. Deze regel duikt in drie variante lezingen op in de tekst (regels 1, 13 en 23).

De ik-persona, die ik me niet uitsluitend biografisch wil voorstellen, mist de jij-figuur. In dat desolate winterse landschap, Breytenbachs waste land (hoewel “daardie heerlike niks”), is het verlangen groot. Het subject, “de boodskapper”, gaat “deur geswolle riviere/met stil mikstok” op zoek naar zijn Eurydice. Met de wichelroede wil hij de ijsschotsen laten smelten. Hij gaat op zoek naar wat vast (het ijs, de dood) in vloeibaar (het water, het leven) verandert. De regel die de transformatie expliciteert (“water word”) is de alliterende mantra die het gedicht draagt. Het ik spoort het voorwerp van het verlangen op. Hij wil het leven terugbrengen naar de Hades waar de “jou” opgesloten is. De brief die de boodschapper meedraagt zal van ijs water maken. Alleen het verlangen blijkt in staat de statische situatie te ontwrichten tot de rivier weer stromend water wordt, tot “my brief […] vol woorde/water word”. Breytenbach toont zich ook in dit gedicht de meester van de metamorfose.

De meest beklijvende strofe is voor mij de derde. Orpheus heeft zoals bekend de wet der goden overtreden. Eurydice is veroordeeld tot de andere werkelijkheid. De god in het diepste zijner gedachten (“die diep poel van gedagtes”), met de verwijzing naar het bekende sonnet van Willem Kloos, is een “ruit wat jou landskap stom maak”. In de brief van de boodschapper is het “koue bewe” vastgelegd. Van het streven naar het smelten van “bruisend wit ysskotse” is niets terechtgekomen, van de boodschap in de brief “vol woorde” lijkt weinig uit te gaan. En toch, het koude bewegen dat een mens alleen ’s nachts kan ervaren, ligt “vasgepen op papier”. De dynamische beelden (“geswolle riviere”, het werkwoord “smelt”, “water word” (x2), “die stroom”) staan tegenover de statische (“stil”, “winters”, “ysskotse”, “vasgepen”). Dit is de dichotomie op grond waarvan de tekst is gestructureerd. Wat Orpheus in beweging wou zetten, het herstel van de band met Eurydice, loopt dood in het verlangen haar terug te zien. Het is precies het omkijken dat haar tot de eeuwige dood veroordeelt. Prachtige varianten op die thematiek lees ik in de Nederlandstalige poëzie bij onder anderen Gerrit Achterberg, Stefan Hertmans, Jan Lauwereyns en Lucebert.

5. Verlangen en dood

‘autobiotrophy’ is een gedicht van het verlangen (strofe 2) en het besef dat het ik “die ruit [is] wat jou landskap stom maak”. De cursivering van het werkwoord is veelzeggend. Kunnen we het gedicht lezen als een existentieel verhaal over nederigheid of de menselijke hybris (“ek staan jou by hoe magtig is ek”) óf als een hoopgevende parabel over de kracht van het verlangen? Voor de lezing te hoopgevend wordt, dient misschien het afsluitende distichon: “die een hand was die ander/tot op die kaalgestroopte swerwersfluit”. Bekend, en bijvoorbeeld na te lezen in de lijst met namen uit de Griekse en Romeinse oudheid (Van Dale), is dat de nomadische Orpheus, verleidelijk om in de fluitspelende zwerver de persona pratica Breyten Breytenbach te herkennen, uiteindelijk door de Maenaden aan de rivier Hebrus wordt verscheurd. Het bijvoeglijke naamwoord “kaalgestroopte” bij de “[swerwers]fluit” kan daarop alluderen. De vrije erotische associatie met de “kaalgeplukte poes” van Antjie Krog is helemaal voor mijn rekening.

Deze beschouwing gaat uit van de jij als de geliefde. Misschien wordt toch vooral het woord nagereisd in de taal van Breytenbach. Volgens Hein Viljoen in Perspektief & Profiel gebruikt de dichter het procedé van de permutatie: “Permutasie is die ongedanste dans van die tekens wat betekenis onderlyn, maar ook nuwe betekenis skep” (Viljoen 1998: 281). Het gedicht kunnen we inderdaad ook zien als een beeldrijke reflectie over taal en een reis naar het onontgonnen allesverklarende woord. Viljoen oppert zelfs dat gedichten in de bundel (‘YK’) kunnen worden ingeschreven in “die Suid-Afrikaanse tronkdiskoers” (1998: 290). Maar in dat laatste geval knoop ik natuurlijk weer aan bij de biografisch-anekdotische lezing van de tekst.

Het gedicht ‘autobiotrophy’ is voor mij het verhaal van een boodschapper die tegen beter weten in de ervaring van “die koue bewe” naar de geliefde brengt. De tekst heeft een plaats in mijn bloemlezing met gedichten waarin de orphische thematiek een eigen wending neemt.

Hein Viljoen 1998. ‘Breyten Breytenbach’. In: Perspektief & Profiel. ’n Afrikaanse literatuurgeskiedenis. H.P. van Coller (red.). J.L. van Schaik, Pretoria, deel 1, p.274-293.

Louise Viljoen 1988. Breyten Breytenbach se (‘YK’): ’n semiotiese ondersoek. Universiteit van Stellenbosch, 1988.



Bookmark and Share

Comments are closed.

  •