Luuk Gruwez. Niet helemaal niets

 

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 

Luuk Gruwez. Niet helemaal niets

 

Het is moeilijk ongereserveerd van de mensen te houden wanneer je vaststelt dat jezelf tot hen behoort en dat je jezelf voldoende kent om zo nu en dan  met je neus op je gebreken te worden gedrukt. Stijn Vranken verwoordt het als volgt: ‘Sommige mensen zijn weinig meer dan niet erg, / om van mezelf nog maar te zwijgen.’ Vandaar allicht dat hij verkiest zijn soortgenoten vanop een aftand gade te slaan en ze niet meteen tot hem toe te laten. Haast voltijds vertolkt hij de rol van buitenstaander en observator. Die positie kleeft hij aan uit de aard van zijn natuur of misschien uit angst om door anderen geannexeerd te worden. Dat hij te allen tijde afstand wil bewaren spreekt het frappantst uit het prachtige gedicht ‘Geachte’: ‘Al enkele jaren moet ik vaststellen u in het geheel / niet te kennen. Dat doet me plezier.’ Het zijn regels die doen denken aan een chanson als ‘La non-demande en mariage’ van Brassens, waarin de zanger zichzelf de eer toedicht om iemand niet ten huwelijk te vragen.

De dichter schildert de mens doorgaans in zijn lijdende gedaante: ‘Ecce homo’. Diens leed kan amper verholpen worden: ‘Wij zijn niet eens reddingsboeien voor elkaar.’ Bovendien lijkt het bestaan op een dystopia, ‘deze stoet van altijd weer wij, wij, wij, (…)’: de mensheid is veelkoppig en vertoont in zijn collectiviteit geen eenheid; het is niemand om de ander te doen. Het is een vaststelling waaruit wij, mensen, ons niet kunnen bevrijden, ook al zijn wij met zijn allen ‘vreemde vluchtelingen (…) per toeval ontsnapt uit onwetendheid’ en is er geen enkele vorm van denken die een oplossing biedt. Vranken laat zich in zijn bundel haast nergens van zijn zonnigste zijde zien. Hij gelooft in lots- en voorbestemming. Je zou hem, alle verhoudingen in acht genomen, een poète maudit kunnen noemen, maar daarvoor is hij eigenlijk te schattig en is zijn attitude er te zeer een van distantie. Niettemin heeft hij bepaald geen hoge dunk van het leven: ‘dit nog / en nog en dan nog maar wat bestaan.’ Zij wereld wordt bovendien gekenmerkt door monotonie, bijna ennui. Alles is herhaling van herhaling, totterdood. Enkel heel af en toe corrigeert hij zijn somberte middels ironie, suggererend dat het leven toch ‘niet helemaal niets’ is. Want, stelt hij vast: ‘Tot op zekere hoogte functioneren / onze lichamen niet onaardig.’ Maar verder heet het: ‘Het is niet dat ze niets kunnen. / Maar het scheelt toch niet veel.’

De dichter, zijn lichaam en de spiegel waarin het weerspiegeld wordt: het is een bijna belegen thema. Het verbaast niet dat lichamelijkheid hier als problematisch wordt bestempeld. ‘Dit lichaam,’ staat er, ‘is niet gelogen, maar toch / zingt het zijn waarheid steeds voorzichtiger (…)’. Her en der duikt dat rare woord ‘waarheid’ op. Soms ontpopt Vranken zich als een ethisch dichter, inderdaad op zoek naar een enigszins aftands begrip als ‘dé waarheid’. Het spreekt voor zich dat hij zich die niet weet te verwerven. Doordat hij voortdurend twijfelt en doordat die twijfel hem ertoe aanzet met verve nu eens deze en dan weer gene mening te ventileren. Hij deinst er niet voor terug soms in twee opeenvolgende gedichten tegengestelde standpunten in te nemen. ‘Van dit leven bestaat er / naar men vreest maar een, / stap dus nooit uit je moeder / met het verkeerde been.’ Zo luidt het motto bij de aanvang van deze bundel. Maar al van bij de eerste gedichten lijkt het of de dichter wel met het verkeerde been uit zijn moeder is gestapt. Heel sterk overheerst het gevoel dat, om J.C. Bloem te parafraseren, het leven alleen maar betekent dat het tussen twee stiltes heel even luid is. De geboorte als een blijmoedige entree? Vergeet het. ‘Ik herinner me nog mijn eerste nacht / als mens. Als de dood was ik.’, lezen wij.          

Twijfelaar als hij is, wantrouwt de dichter uiteraard ook woorden. Hij streeft vruchteloos de absolute stilte na en de perfectie van het ongeschrevene. Het beste werk is het verzwegene en hij realiseert zich dat geen woorden, maar alleen onze daden een heel enkele keer onze pietluttigheid verdrijven: ‘wij zijn op ons best / wanneer we verdwenen zijn / in wat we doen (…)’. Pas naar het einde van de bundel toe wordt even geopteerd dat het menselijke bestaan toch wel een wonder is, zij het een dat geen grote voldoening schenkt. Gewenning aan het lot is zowat het hoogste wat een mens mag verwachten. Misschien omdat hij het enige levend wezen is dat weet heeft van zijn eindigheid en zich daardoor, in een wanhopige poging om eeuwigheid te bedenken, ook in hoge mate van zijn voorbestemdheid bewust is.

Stijn Vranken ervaart de meetbare realiteit van het lijf als pijnlijk en hij wensdroomt dat hij ergens tussen bestaan en onbestaan mag vertoeven in iets dat maar een vermoeden is of dat op vage hoop is gebaseerd. Niets is namelijk echt te realiseren en alles laat je uiteindelijk onbevredigd achter.

__________________

Stijn Vranken

Maak plaats van mij

De Bezige Bij Antwerpen, 62 blz., 19,99 euro.



Bookmark and Share

Comments are closed.

  •