Yves T’Sjoen. “Ik moet mezelf/niet zien”. Over ‘Zelfportret’ van Jan van der Hoeven (1929-2014)


Een week voor kerstmis overleed Jan van der Hoeven. Hij is “in de Nederlandstalige poëzie een aparte, vrij geïsoleerde figuur die in geen enkele naoorlogse school of strekking is onder te brengen. […] Hij is te situeren in de modernistische stroming die streeft naar autonome, niet-mimetische poëzie waartoe (overigens niet onder één noemer te vangen) mensen als Adriaan de Roover, Gust Gils, Mark Insingel, Claude van de Berge en Jan H. Mysjkin behoren” (Ramon 2000, 67-68). Het meta-poëtische debuut Projektieschrijven (1957) is door Renaat Ramon in een thematische en bibliografische overzichtsbijdrage “een programma en tevens een definitie van Van der Hoevens poëzie” genoemd. De verzamelde gedichten van Jan van der Hoeven kunnen worden gelezen als even zo veel pogingen, soms grappig en sarcastisch dan weer vilein en spitsvondig-speels, de taal tot haar fundamenten te herleiden. Ramon refereert in het opstel ‘Neologie of het wedervaren van een schrijfzeiler’, opgenomen als inleidende tekst bij zijn bloemlezing uit Van der Hoevens poëzie (2000), aan een lezing door Christine D’haen van de derde bundel Elementair (1963). D’haen tracht in haar analyse het taalgerichte streven van Van der Hoeven te duiden en gebruikt daarvoor de bundeltitel. Het taalgebruik, onze manipulatie en reductie van taal, heeft de mens afgeleid van “elementair[e]” woordbetekenissen. Een queeste naar wat “elementair” is en niet vervuild is geraakt door het gebruik van woorden, wordt volgens D’haen in de literaire exercitie ondernomen.

Hoewel Van der Hoeven in zijn dichtwerk expliciete verwijzingen opneemt naar persoonlijke ervaringen, zoals de reizen naar Spanje, referenties aan Damme en Knokke-Zoute in Lecina je land (1961) en tochten door Midden- en Zuid-Amerika in El camino de Santiago (2000) en Vagant (2007), of bijvoorbeeld de vermelding van de geboorte van de dochter Katoesja in Anarchipel (1977), spreekt in de gedichten niet de persona practica maar een persona poetica. Ramon hoedt zich dan ook voor een “psychologiserende interpretatie: ook hier gaat het, misleidend en speels over het schrijven van poëzie” (2000, 19).

Ter herinnering aan een minzame man, zoals vorige week gememoreerd in de necrologie door Henri-Floris Jespers, en een voortreffelijk dichter in de luwte van het literaire bedrijf haal ik voor deze blog een enkel gedicht voor het voetlicht. Vanaf zijn passage in De Tafelronde en Projektieschrijven tot de light verse Grap-, graf- en andere schriften (2006) en de reispoëzie in Vagant legde Van der Hoeven zich gedurende zes decennia toe op de compositie van een solide oeuvre waarvoor in de poëziekritiek nauwelijks aandacht bestaat. Tijdens mijn lectuur van de voorbije dagen bleef ik haperen aan het gedicht ‘Zelfportret’. Op grond van de meta-talige reflecties Projektieschrijven en Te woord staan (1959) bestempelden eigentijdse critici Van der Hoeven als experimentele ‘Vijfenvijftiger’. Paul de Vree sprak over een ‘Tafelrondedichter’ (Ramon 2000, 67). Projektieschrijven sluit af met ‘Zelfportret’. Ramon noteert over het debuut dat aanvangt met ‘De eerste morgen’, een verwijzing naar een dichtregel van Albert Bontridder die is opgenomen in de titel van Jan Walravens’ bekende bloemlezing waar is de eerste morgen? (1955): “[Projektieschrijven]. Een neologisme, een werkwoord, de tegenwoordige tijd. De titel wekt onmiddellijk associaties met het mathematische, het architectonische, het constructieve, zo niet het constructivisme waaraan deze poëzie geestelijk verwant is. Dat het hoe dan ook om schrijven gaat is meteen duidelijk” (2000, 8).

Beeldende kunstenaars van uiteenlopende perioden en stijlrichtingen, van Rubens, Van Gogh, Degas en Ensor tot Dumas en Tuymans, hebben (anti-)mimetische ‘zelfportretten’ geschilderd. Ook de Nederlandstalige poëzie biedt een heterogene verzameling teksten met de titel ‘Zelfportret’. Ik denk onder anderen aan J. Bernlef (‘Zelfportret’ in Alles teruggevonden/niets bewaard [1982]), J.C. Bloem (‘Het portret’ in Avond [1950]), Roland Jooris (‘Zelfportret’ in Gekras [2001]), Leonard Nolens (de reeks ‘Zelfportretten en dagboekgedichten’ in En verdwijn met mate [1996]), Cees Nooteboom (‘Portret, zelfportret’ in Aanwezig, afwezig [1970]) en Jan van Nijlen (het kwatrijn ‘zelfportret’ in Te laat voor deze wereld [1957]). De in biografica en dus ‘de vent’ geïnteresseerde lezer van Van der Hoevens gedicht ‘Zelfportret’, slotakkoord van de afdeling ‘Woordcurve’ in Projektieschrijven, wordt meteen teleurgesteld.

Ik moet mezelf

niet zien. Ik weet,

het was een marmerwit

fronton, een ruime fries

mijn voorhoofd,

boven de zuilen van mijn ogen,

gesneden uit instortend blauw,

waar nu de klaagmuur

helt tegen mijn hoofd.

Ik weet, ik hou mijn puinen

ergens recht nog, rond de mond misschien,

daar waar het middenpunt

moet zijn der woorden,

medium, mirakelspel en

sperma van nieuw leven,

triomfbogen buigend uit de lucht en

vlaggen spreidend

over ’t gelaat van mijn geluk.

Renaat Ramon sluit zijn essay over Jan van der Hoeven af met bovenstaand gedicht. Hij noteert: “Dit is ook een principieel standpunt: de vorm gaat voor de vent en “de biografie van een schrijver zit in zijn woordkronkels” zoals Joseph Brodsky schreef’ (2000, 72). Eerder merkte hij op, verwijzend naar de metaforen die in het gedicht allitererend met elkaar zijn verbonden: “in het ‘Zelfportret’ wordt de mond gezien als het middelpunt der woorden, medium, mirakelspel en sperma van nieuw leven” (2000, 19). Het ik verbindt lichamelijke beelden voorzien van een bijvoeglijk possessief pronomen (“mijn voorhoofd”, “mijn ogen, “mijn hoofd” en “de mond”) met vormelijk autonome en antieke architectonische constructies (“een marmerwit/fronton, een ruime fries”, “de zuilen”, “triomfbogen”). Opvallend is dat met verval en vergankelijkheid beladen beelden (“instortend blauw”, “de klaagmuur”, “mijn puinen”), misschien als metafoor voor het leven, overeind worden gehouden door “het middenpunt” (“de mond misschien”) en dus de taal. In de materiële zelfbeschrijving “weet” het nadrukkelijk aanwezige ik-subject dat “rond de mond misschien” het leven zich manifesteert. Niet de navel en de oedipale band maar wel de mond is hier “het middenpunt”. De “woorden” worden door de ik-persona gezien als een uitdrukkingsvorm (“medium”), tegelijk als bron voor een irrationele verbeeldingswereld (“mirakelspel”). Ze worden aan het leven gelieerd (“sperma van nieuw leven”) en kleuren als dus danig het bestaan (“’t gelaat van mijn geluk”).

Gezien de expliciete vormpreoccupatie is het wellicht interessanter het taal-existentiële ‘Zelfportret’ vanuit multidisciplinair oogpunt in verband te brengen met kunststromingen als verticalisme en constructivisme, met Van der Hoevens fascinatie voor de geometrisch-abstracte schilderkunst van Luc Peire, het grafische werk van de kunstschilder Gilbert Swimberghe en de concrete en visuele poëzie (Renaat Ramon belicht dit aspect van Van der Hoevens oeuvre in de recent verschenen studie Vorm en visie), monochromen, jazz (Louis de Meester, Lucien Goethals, André Laporte, Shirley Scott) of composities van Erik Satie. Daartoe zal ik een poging ondernemen met als uitgangspunt de bibliofiele uitgaven Voor en na Swimberghe (1971, met seriegrafieën van de schilder; Ramon 2000, 51), later gebundeld in Anarchipel (1977) onder de titel ‘Voor en naar Swimberghe’, en de wijze waarop de aan muziek en beeldende kunst refererende gedichten zijn opgenomen in of weggelaten uit Knoop voor knoop (1986). Renaat Ramon heeft daarvoor een uitstekende aanzet geleverd die nu meer verdieping behoeft. Van der Hoevens poëzie levert voor een multimediaal onderzoek naar moderne poëzie hoe dan ook een boeiende gevalstudie op. Het is wellicht niet toevallig dat een van de vier door Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters geselecteerde gedichten van Van der Hoeven in Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie 1945-2005 (2008) ‘Beeld’ is uit Nuange en andere gedichten (1995). De titel had ook ‘Zelfportret’ kunnen zijn. Met het overlijden van de dichter is een heel bijzonder oeuvre afgesloten en een creatieve vormentaal gerealiseerd. Ze wachten al langer op ontginning.

Geraadpleegde bron

Renaat Ramon, ‘Neologie of het wedervaren van een schrijfzeiler’, in Bloemlezing uit de poëzie van Jan van der Hoeven. Dichters van nu 14. Poëziecentrum, Gent, 2000, p.7-76.

Enkele bio- en bibliografische gegevens

Henri-Floris Jespers, ‘Exit Jan van der Hoeven’, in Mededelingen van het Centrum voor Documentatie en Reëvaluatie, 24 december 2014 http://mededelingen.over-blog.com/article-exit-jan-van-der-hoeven-125271569.html

Piet Swimberghe, ‘Experimenteel dichter Jan van der Hoeven overleden’, in Knack Magazine, 19/12/2014 http://www.knack.be/nieuws/boeken/experimenteel-dichter-jan-van-der-hoeven-overleden/article-normal-519977.html

Website Poëziecentrum: http://www.poeziecentrum.be/nieuws/jan-van-der-hoeven-overleden

(c) Yves T’Sjoen / Desember 2014

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Yves T’Sjoen. “Ik moet mezelf/niet zien”. Over ‘Zelfportret’ van Jan van der Hoeven (1929-2014)”

  1. Fanie Olivier :

    Dankie, Yves, vir die venster en die deur wat jy so op die valreep van 2014 oopgemaak het. Sal beslis verder gaan lees in die nuwe jaar.

  •