Yves T’Sjoen. Wat we zelf doen, doen we beter. Quod non

Wat we zelf doen, doen we beter. Quod non

Naar aanleiding van het artikel van Tony Ullyatt, ‘Practising the art of failure’ (15 december 2014), voerden onder anderen Charl-Pierre Naudé en Marlene van Niekerk tussen 17 december 2014 en 8 februari 2015 een discussie. Desmond Painter is in een later stadium van de discussie een productieve contribuant.

Het zou te ver leiden en zelfs niet relevant zijn de tweespraak tussen beide in de Lage Landen bekende auteurs hier samen te vatten. Ik neem met belangstelling akte van de zienswijze inzake vertalingen (in voorliggend geval Seamus Heaney en Tomaz Salamun) voor/door dichters en het belang van stijl- en imitatieoefeningen, onderscheiden vertaalpraktijken en -strategieën, het verschil tussen een “formalistiese”, “ambagtelike” en een meer intuïtieve benadering, “the anxiety of reference” en ‘ontraditionele leesstrategieën’. De belangstellende kan de commentaren van beide Zuid-Afrikaanse schrijvers nalezen. Interessant zijn de “pedagogiese voorstelle” die worden geformuleerd. Een van de aandachtspunten betreft de beeldvorming van literaire teksten voor en door studenten. Marlene van Niekerk, professor verbonden aan het departement Afrikaans en Nederlands van de Universiteit Stellenbosch en verantwoordelijk voor de cursus Creative Writing, stelt dat poëzievertaling een graadmeter is om de kunde en het talent van aspirant-dichters te bepalen. Ik ben het met haar eens dat “kennis van poëtiese konvensies en uitstekende taalbeheersing” conditio sine qua non zijn voor “die skryf van goeie gedigte”. Niet uitsluitend voor het schrijven van “goeie gedigte” overigens. De vraag is wat dan wel “goeie gedigte” zijn. Studenten letteren hebben evenzeer nood aan de beheersing van taal- en stijlregisters, een code én een instrumentarium, om op heldere en beargumenteerde wijze over poëzie te kunnen spreken. Spreken doen we altijd vanuit de eigen leefwereld, met culturele bagage die op de schoolbanken en vooral daarnaast wordt opgebouwd, vanuit een kritisch en betrokken standpunt. Vertrouwdheid met literaire tradities in binnen- en buitenland, het uitstippelen van een leesparcours en het schrijven over literatuur zijn competenties die in een literatuurvak (idealiter) worden verworven. Niet alleen het verrichten van vertaalwerk, zelfs het kopiëren van bewonderde modellen, is ongetwijfeld een productieve leerschool voor studenten Creative Writing. Studenten die een letterkundige opleiding volgen, komen tijdens hun studietijd in contact met (beelden van) literaire tendensen, uiteenlopende poëtica’s, verschuivende paradigma’s en discoursen, taalopvattingen van auteurs, stilistische profileringen van een oeuvre et cetera. Dergelijke frameworks komen aan bod in letterkundige overzichtscolleges, studenten moeten er minstens een notie van hebben.

Ik bouw voor mijn bijdrage verder op standpunten in de Versindaba-discussie teneinde mijn visie te presenteren op de manier waarop literatuur kan worden gedoceerd. Niet onder het motto “wat ik zelf doe, doe ik beter”. Ik ben vooral Marlene van Niekerks uitnodiging indachtig: “Nou ja, dis miskien ’n naïewe voorstel, maar êrens moet mens tog begin om die gesigsvelde en die bewussyne te verruim wat hierdie sake betref, of hoe?”.

Deze beschouwing in drie kapittels, met aandacht voor [1] onderzoek, [2] interdisciplinariteit en [3] transculturaliteit in het letterkundig onderwijs, is niet meer dan een poging onder woorden te brengen welke aspecten van het pedagogisch project van belang zijn. Uit die conceptuele overwegingen en eigen ervaringen put ik voor de opleidingsonderdelen Afrikaanse literatuur en moderne Nederlandstalige poëzie aan de Universiteit Gent.

De opmerking dat een letterkunde vitaal moet zijn maar daarom niet altijd de hedendaagse literatuur betreft, omdat die ook gewoonweg dood kan zijn, is een adagium dat ik als literatuurdocent voor ogen wil houden.

1. Tweerichtingsverkeer onderwijs & onderzoek

De drie Gratiën – Peter Paul Rubens

Wetenschappelijk onderzoek en academisch onderwijs sluiten bij elkaar aan en zorgen voor een inspirerende kruisbestuiving. Het onderwijs in de moderne letterkundige neerlandistiek, bijvoorbeeld, is niet uitsluitend gericht op het bijbrengen van kennis van bredere verbanden. Ik denk dan aan aandacht voor literair-historische context, poëticale opvattingen, (literatuur)wetenschappelijke onderzoekstradities en uiteenlopende beelden van literatuur die deze tradities en disciplines genereren. Een van de doelstellingen is inzicht én overzicht bij te brengen. Tegelijk wil het literatuuronderwijs diepgang beogen, bijvoorbeeld door de presentatie van gevalstudies, de problematisering van begrippen, de theoretische fundering van concepten. Dergelijke combinatie van breedte en diepgang in het universitair onderwijs draagt ertoe bij dat studenten een breed (oriënterend) kaderverhaal verwerven waarbinnen specifiek onderzoek plaatsvindt of gevallen worden bestudeerd. Daarnaast is het mijns inziens van belang studenten bewust te maken van methodologische vraagstukken en hen erop te wijzen hoe een duidelijk omschreven literatuurtheoretisch uitgangspunt of een goed onderbouwde literatuurwetenschappelijke werkmethode kunnen bijdragen tot een analyse of een context-gerichte studie van een artefact (tijdschriftartikel, boekpublicatie), een institutie (uitgeverij, periodiek), enzovoorts. Onderwijs presenteert op een bevattelijke wijze (eigen) onderzoeksbevindingen en is mededeelzaam wat inzichten betreft die recent wetenschappelijk onderzoek aanreikt.

In de omgekeerde richting impliceert het tweerichtingsverkeer tussen onderwijs en onderzoek dat ook het letterkundig onderzoek gebaat is bij de mogelijkheden en de uitdagingen die het academisch onderwijs te bieden heeft. Colleges en oefeningen nodigen de onderzoeker/lesgever uit ten aanzien van studenten op een bevattelijke en uitdagende manier verslag uit te brengen over de resultaten van theoretisch en methodologisch vernieuwende wetenschappelijke studie over een specifiek onderwerp. Onderwijs dat gevoed wordt door specialistische research zorgt altijd voor return on investment. De belangstelling van studenten voor een bepaald vak wordt immers sterk bepaald door het vernieuwende karakter van de benaderingswijze en de wijze waarop resultaten van wetenschappelijk onderzoek worden geïntroduceerd. Als in hoorcolleges en practica de polsslag van het vigerende onderzoek voelbaar is en studenten het gevoel hebben dat geen gedateerde inzichten maar resultaten van recent onderzoek worden gepresenteerd, raken zij meestal vanzelf geïntrigeerd. Relevant en inspirerend onderwijs kan de ogen openen voor de wijze waarop onderzoek wordt ondernomen, het vestigt de aandacht op probleemstellingen die de basis vormen van bevindingen en het verduidelijkt hoe een bepaalde visie op een studieobject inzichtelijk en methodologisch is onderbouwd. Niet alle studenten zijn toekomstige doctorandi. Daarin schuilt ook de uitdaging van wetenschappelijk (letteren)onderwijs: op een bevattelijke manier inzichten meedelen en studenten bewust maken van de methodologische en theoretische fundering die aan inzichten ten grondslag liggen. Alleen als eerst in algemene vakken en/of overzichtscolleges de bredere context wordt verduidelijkt en de kaderverhalen worden gepresenteerd (dat zijn de literatuuroverzichten), kan het onderwijs/onderzoek zich specifiek richten op bepaalde casussen, bijvoorbeeld het literaire werk van een auteur, een artistieke groepering of vereniging, een literaire beweging of een periodeconcept. De studenten meenemen op een avontuurlijke speurtocht in een bepaalde materie is telkens weer de uitdaging.

2. Multidisciplinariteit

De drie Gratiën – Theo van Doesburg

Onderzoek en onderwijs in de letterkunde zijn gebaat bij de combinatie van specifiek én breed geformuleerde uitgangspunten. Specifiek onderzoek naar literaire teksten vanuit een analytisch perspectief (verstechnisch en narratologisch) blijft mijns inziens de core business van moderne literatuurstudie. De klemtoon ligt daarbij op onderzoek naar compositietechnieken, studie van thematiek en motieven, stijl en idiomatische opvattingen, personageopbouw, handelingsverloop, vertelinstantie(s), intra- en intertekstualiteit enzoverder. Sinds enkele decennia is de werkimmanente methode of de op structuralistische leest geschoeide close reading, een leesstrategie die de literaire tekst centraal stelt en dus niet de biografische achtergrond van een auteur, een historische periode of de institutionele positionering van een schrijver, uitgebreid met onderzoeksperspectieven die zich op de bredere context van literaire teksten richten. Tekstgenetisch onderzoek, (post)koloniale studies, genderstudies, traumatheorie, new historicism, media studies en medical humanities zijn maar enkele van de relatief jonge theoretische modellen en inzichten die de studie van een literaire tekst in een ruimer verband plaatsen.

Literatuurstudie biedt (on)verkende mogelijkheden die verder reiken dan de analyse van de literariteit van teksten. Het onderzoek van literatuur en narratieve contexten nodigt uit bruggen te slaan tussen verschillende wetenschappelijke vakdisciplines (kunstwetenschappen, sociologie, recht, economie, filosofie, geneeskunde, psychiatrie). Of anders geformuleerd: een multi- of interdisciplinaire benadering van literatuur is relevant al was het maar omdat literatuur in strikte zin meer is dan een verzamelnaam voor literaire teksten.

In de geneeskunde, om een voorbeeld uit een volstrekt andere discipline te noemen, maken onderzoekers almaar meer gebruik van literaire teksten om bijvoorbeeld beter inzicht te krijgen in (de ontwikkeling van) bepaalde ziektebeelden. Literaire teksten produceren een eigen beeldentaal (een beeldengrammatica) of een metaforiek waarin datgene tot uitdrukking wordt gebracht waarvoor doorgaans ‘geen woorden zijn’. Literaire analyse en psychiatrie, op basis van teksten, tonen aan dat een tekst ook in een bredere onderzoekscontext kan functioneren.

3. Internationale perspectieven

De drie Gratien – Rob Scholte

Daarnaast is het mijns inziens relevant aandacht voor literaire teksten en schrijvers in een internationale context te situeren. De literatuur van een middelgroot (grotendeels Europees) taalgebied zoals het Nederlands ondergaat op de meest diverse manieren invloeden en impulsen van anderstalige literaturen en culturen. Het schrijverschap ontwikkelt zich in een (literaire) biotoop die transnationaal is. Het is reductionistisch de Nederlandse literatuur uitsluitend binnen de context van het Nederlandse taalgebied te bestuderen. Samenwerking met neerlandici werkzaam buiten het taalgebied en die over de hele wereld actief zijn, dat wil zeggen non-native onderzoekers in de neerlandistiek die opgeleid of werkzaam zijn in het buitenland, in een andere wetenschappelijke traditie, met verschillende sociaal-culturele en historische achtergronden, biedt vele mogelijkheden die in de Nederlandse en Belgische neerlandistiek nog steeds onvoldoende zijn aangewend. Gezien de mogelijkheden inzake academisch onderwijs die het Bologna-decreet in 2004 biedt, de zogenaamde bachelor- en masterhervorming, en de nieuwe talencombinaties die een specifieke taalfamilie ontstijgen, zal het letterkundig neerlandistisch onderzoek verder en méér de richting van transnationale studies uitgaan. De toekomst van de studie van en het onderwijs over Nederlandse (en Afrikaanse…) literatuur in de context van de Europese Unie en een geglobaliseerde wereld is gebaat bij een internationale kijk. Comparatistiek of vergelijkende literatuurwetenschap, invloeden- en cross-overstudie, onderzoek naar verschillen tussen en overeenkomsten met tendensen in anderstalige literaturen toen én nu bieden voor de studie van de (Nederlandse) literatuur onbeperkte mogelijkheden. Studenten taal- en letterkunde met (minimaal) de combinatie van twee talen in hun studiepakket lezen anders – met een bredere horizont – dan neerlandici die uitsluitend de Nederlandse taal en literatuur bestuderen. Transnationale vergelijkende studie van thema’s en motieven, de studie van invloeden en dialogen, van de wisselwerking tussen anderstalige literaire systemen, van de rol van vertalingen in een bepaald literair landschap bieden een ruimere kijk op het functioneren van literatuur in een taalgebied. De neerlandistiek is geen discipline die zich op een eiland situeert. Ze slaat bruggen met andere onderzoeksdisciplines en -terreinen, al dan niet in andere taalgebieden. Ook hier zijn er vele perspectieven voor het onderwijs. Studenten, zo is mijn ervaring, zien de meer panoramische of interculturele benadering van Nederlandstalige teksten vaak als verrassend en verrijkend.

Niet alleen het universitair literatuuronderwijs, ook de literatuurkritiek bijvoorbeeld is zonder meer gebaat bij een internationale en interdisciplinaire blik. Ik ervaar een dergelijke benadering als inzichtgevend. De tekstanalyse en de contextuele benadering van literatuur zijn communicerende vaten. Twee sportdisciplines met andere regels die allebei tot het domein van de sport behoren. Tegelijk laat een bredere kijk zien hoe een kleinere literatuur zich verhoudt ten opzichte van het Anglo-Amerikaanse epicentrum en andere literaturen in Europa waarmee gecommuniceerd en waaraan gerefereerd wordt.

Die laatste beschouwing zal als uitgangspunt dienst doen voor de Afrikaanse letterkundebijeenkomst tijdens het tweede colloquium van het Gentse centrum voor het Afrikaans en de studie van Zuid-Afrika (www.afrikaans.ugent.be, Universiteit Gent, 9 oktober 2015).

(c) Yves T’Sjoen / Februarie 2015

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Yves T’Sjoen. Wat we zelf doen, doen we beter. Quod non”

  1. Charl-Pierre Naude :

    Yves, ek ervaar hierdie artikel as baie verhelderend en informatief. Ek neem ook kennis van die implisiete invulling wat jy hiermee bring in verwysing na die voorafgaande bespreking.

  •