Menu
Versindaba
  • Nuwe Bundels
    • Digbundels (2024)
    • Digbundels (2023)
    • Digbundels (2022)
    • Digbundels (2021)
    • Digbundels (2020)
    • Digbundels (2019)
    • Digbundels (2018)
    • Digbundels (2017)
    • Digbundels (2016)
    • Digbundels (2015)
    • Digbundels (2014)
    • Digbundels (2013)
    • Digbundels (2012)
    • Digbundels (2011 & 2010)
  • Resensies
    • Resensies
    • Resensente
  • Gedigte
    • Gedigte (A-L)
    • Gedigte (M-Z)
    • Kompetisies
    • Vertalings
      • 100 Duitse bestes uit die 20ste eeu
  • Digters
    • Digters
    • Onderhoude
    • Stemgrepe
  • Skryfhulp
  • Borge
  • Oor Versindaba
    • Kontak
Versindaba
3 August 20234 August 2023

Yves T’Sjoen. Cahier van een lezer [9]

 

“Ik ben een lezer met de buien van geestdrift en verontwaardiging van een lezer; ik ben geen voorlichter, en ik zou het niet willen zijn – du Perron

Versindaba publiceert onregelmatig het ‘Cahier van een lezer’. Op de letterkundige brug tussen Zuid-Afrika en de Lage Landen deel ik parafernalia in de geest van de gelijknamige kleinschalige boekprojecten van de Nederlandse schrijver E. du Perron. Het Cahier, waarvan later een boekpublicatie verschijnt bij Naledi, is een neerslag van leeservaringen op het gebied van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse letteren.

#16

 

Voltooiing als zinsverbijstering

Rubrieken en columns over literatuur, ook recensies en méér letterkundige beschouwingen, veroorzaken soms ergernis. Voor een academisch college over recensiekunde heb ik enkele van de onderstaande vooronderstellingen al eens te berde gebracht. Ik meen dat het Jean Meiring is die in een gesprek naar aanleiding van een colloquium opmerkte dat een academische opleiding literaire kritiek voor de Afrikaanse letterkunde zijn nut kan bewijzen. In Gent wordt sinds twee academiejaren een cursus literaire en cultuurkritiek aangeboden. Voorheen bestond het gewoonweg niet. Wel studie van de receptie-esthetica en -geschiedenis, of dus het onderzoek naar de kritiek, maar niet de praktijk van het recenseren en het essayeren. In een opleiding letterkunde moeten niet alleen romans en poëziebundels worden gelezen, maar ook kritische beschouwingen (receptieteksten). En die kunnen net als de primaire bronnen dus worden bestudeerd. Méér nog, we denken dat de kunde van het boek-bespreken kan worden aangeleerd. Naast “creative writing”, wijdverbreid aan universiteiten, is er behoefte aan opleidingen in “literary criticism”. Studenten lezen en bespreken metateksten, zij oefenen hun kritische schrijfvaardigheid en leren zich bewust zijn van het doelpubliek en van een metadiscours om over literatuur en kunst voor een belangstellend publiek te spreken. Zoals het vak van uitgever professionele kennis en kunde veronderstelt – de voormalige uitgever Kerneels Breytenbach rapporteerde er onlangs nog over (https://www.litnet.co.za/waarom-by-n-uitgewer-aanklop-eerder-as-om-self-te-publiseer/) –, zo geldt datzelfde voor het schrijven van besprekingen over cultuurproducten (bv. kunst en literaire teksten). De beschouwer dient zich in ieder geval bewust te zijn van vereisten waaraan een degelijke bespreking dient te beantwoorden, de verwachtingen op het openbare forum en premissen waarop een oordeel wordt gevestigd. Marlies Taljard schreef er al over op deze blog. De verwachte premissen hebben onder meer te maken met letterkundige kennis, literaire schrijfvaardigheid, argumentatieleer en ook met ethische standpunten (integriteit). Maar vooral met een bewustzijn van het bijzondere ambacht dat wordt uitgeoefend in gesprek met de literaire brontekst.

 

Méér dan de kunst van de allusie

Ik verklaar mij nader in deze notitie. Vele jaren geleden, in mijn boek De gouddelver. Over het lezen van poëzie (2005), heb ik bij wijze van inleiding een paar uitgangspunten expliciet gesteld. Een van de tekstfragmenten handelt over de lichamelijke sensatie van literatuur, meer uitgebreid over de tactiele handeling van het lezen. Lezen is méér dan verhapstukken, consumeren, ondergaan en proberen te begrijpen wat er staat. Lezen is een activiteit die bepaalde vaardigheden veronderstelt, de inzet van méér dan alleen het hoofd, een openheid van lezen die we aan de universiteiten voor onze studenten proberen bij te brengen. Het gaat over een zintuiglijke ervaring van literatuur, met aandacht voor cognitieve maar ook voor tactiele (auditieve en visuele) aspecten van de literaire tekst. Zonder daarbij zichzelf te verliezen in dat proces van toe-eigening en onstuitbare zingeving. Lezen en interpreteren zijn een proeve van kritisch vernuft, jawel, maar evenzeer een werk van verbeelding en creativiteit. Daarvoor is behalve verbale sensibiliteit ook moed nodig. Dergelijke opvatting impliceert de durf om zich kwetsbaar en nieuwsgierig open te stellen voor literatuur. Zonder verbeelding blijft de tekst gewoon dode letter. In rubrieken en kronieken op deze blog en in recensies of beschouwingen in kranten merk ik vooral veel intertekstuele lezingen: tekst X alludeert op of verwijst naar tekst Y. Er staat meestal niet wàt die observatie bij de lezer teweegbrengt, behalve dat hij iets heeft opgemerkt dat blijkbaar noemenswaard is en voornamelijk een getuigenis is van diens letterkundige belezenheid. Dergelijke manieren van lezen lijken meer op boekhoudkunde dan op interpretatie of analyse. Een mens krijgt dan (boek)besprekingen in de trant van deze metafoor is al eerder gebruikt, dààr en hier, of een frase is een allusie op wat schrijver X in bundel Y schrijft, of bijvoorbeeld een titel is eerder gebruikt door schrijver zus-en-zo. Intertekstuele weetjes, maar geen getuigenissen van esthetische ervaring. Wat mij relevanter lijkt: hoe anders wèrkt die metaforische echo in een tekst, hoe functioneert diezelfde titel in een andere semantische context. Wacht de lezer eigenlijk wel op encyclopedische en weetgierige blijken van interesse  in lyriek? Is een kroniek een forum om de lezer ervan aan eruditie bloot te stellen? Het zou moeten gaan over de lezer en het dichtwerk dat hem raakt. En vooral waarom dat het geval is. Willen we niet vooral te weten komen hoezeer de lezende criticus is aangeraakt door het werk dat hem onder ogen komt? Op welke wijze de tekst in gesprek treedt met de wereld en dus met de lezer?

Behalve een smalle invulling van intertekstualiteit – een boekhoudkundige inventaris van attesteerbare verwijzingen en citaten – is er ook een ruimere opvatting: hoé teksten met elkaar in dialoog treden én met (het referentiekader van) de lezer, hoe literaire teksten intermediale relaties aangaan met andere kunstvormen, et cetera. Wàt de tekst ons vandaag vertelt, hoe indringend die vertelling is en wat ons letterlijk aanspreekt. Naar aanleiding van een paar vragen van Dewald Koen op LitNet (“Wat moet ons as literatore dan doen?”) en een kritische notitie van Willie Burger over het gebruik van literatuurtheorie in letterkundig onderzoek en over de instrumentalisering van literatuur (https://www.litnet.co.za/wat-moet-ons-as-literatore-dan-doen/), herneem ik formuleringen van jaren geleden en hou ze tegen het licht. De afgelopen dagen schreef ik samen met Alwyn Roux een repliek, vooral aanvulling en uitbreiding, op deze beschouwende tekst. De uitgeschreven dialoog verschijnt eerstdaags op Voertaal/LitNet. Nadenkend over de conversatie en de uitgangspunten van Burgers apologie, over de esthetiek van de literaire ervaring, heroverweeg ik een visie van jaren terug. Ook toen sprak ik over literatuur als esthetische, vooral als sensitieve ervaring.  Met de Zuid-Afrikaans-Canadese dichter Klara du Plessis stelde ik in 2019 het essayboek Tweespraak. Transverbale gesprekke/n samen (vooralsnog ongepubliceerd). Uitgaande van The Hundreds (2001) van Lauren Berlant en Kathleen Stewart hebben wij aan de hand van een soortgelijk compositieprincipe van compacte en bezinnende notities van honderd, tweehonderd, driehonderd woorden gepoogd een gesprek op te zetten over de ervaringen van lyriek.

 

Tweespraak. Transversale gesprekke(n)

De Tweespraak met transversale gesprekken heb ik in de inleiding als volgt omschreven. “Het proces heeft veel van een toenadering, een samenspraak om helder zicht te krijgen op het denkproces en de esthetische ervaring. Een beeldende metafoor voor die meditatieve symbiose, door jou beschreven als “wat ons gelyktydig verenig as fisiese elemente”, tref ik aan in een uitspraak van Breyten Breytenbach. In een vraaggesprek met Breytenbach, opgenomen in The 81 ways (2018), zegt de schilder over de reeks “Gongshi”: “In my new and unpublishable volume of poems I start with a quote about a Chinese philosopher asking two stones if they will remain true to him, and they answer, ‘Well, we are not human, but we will promise to remain faithful friends right up till the end. The three of us will get along well’. Two stones and the old man. I am drawn to that intimacy. There is also the aspect of meditation, the stone being the point of concentration for random thoughts, bringing them together when it can’t go anywhere because there’s no resolution. The stone doesn’t give you an answer, but it carries all the history and self-evidence of creation in it, of all time and everything. It calms the hand. You can just imagine killing a bird with the universe”. Het filosofisch verhaal indachtig legt deze tweespraak eenzelfde intimiteit bloot. Ik ben het beeld en de betekenis van de steen zeer genegen. Toen Breytenbach in december 2014 in de aula van de Gentse universiteit de titel van doctor honoris causa toegekend kreeg, sprak hij een indringend dankwoord uit. Na afloop overhandigde hij mij twee stenen, geschilderd en beschreven. De is een wereld op zichzelf, “the point of concentration for random thought”. Het belangrijke boek Vibrant Matter. A Political Ecology of Things (2010) van Jane Bennett, over wat leven tussen vitale materie inhoudt, gebruikten wij als leidraad voor de exercitie. Bennett is Amerikaans politicoloog en filosoof die over natuur en ecologie, affect en ook agency werkt. In het boek gaat het over logica en emotie, dus ook over de sensitieve ervaring van literatuur. De traagheid van het lezen biedt de agent (de lezer) de gelegenheid en vooral ook de tijd om in de ervaring van literatuur alle zintuigen in te zetten. En dus niet alleen de ratio. Wat brengt een esthetische ervaring van lyriek in beweging? Aandacht voor bijvoorbeeld de muzikale dimensie van een gedicht voegt een dimensie toe aan een op begrijpen gerichte lectuur. Vibrant matter: het gaat over deze siddering, zelfs een epifanie, die de ervaring van kunst – in dit geval van een gedicht – kan teweegbrengen. Wanneer we er aandacht voor hebben en de traagheid van het lezen in acht nemen.

 

Zingevingsprocessen

In letterkundige colleges hanteer ik een niet-autonomistische opvatting van literatuur en bepleit een traagheid van lezen. Een tekst is vooral een tekensysteem. De tekens krijgen pas relevantie in context, omdat de signifiant zoals De Saussure stelde steeds weer betekenis krijgt, omdat er altijd weer een achtergrond is waartegen de zingeving van een teken tot stand komt, omdat een schrijver en een tijd het teken hebben bepaald. Al moet je vandaag rekening houden met algoritmes die teksten schrijven. En vooral: omdat er lezers zijn die het teken willen activeren en zin geven. Chat-GPT vermag niets tegen de verbeeldingskracht van de lezer. Dé betekenis van een teken blijkt steeds weer een illusie, een grove inbeslagname. Literatuur is bij uitstek een medium dat paradoxaal gesproken uitstel van betekenis vraagt (de dynamische visie), dat tot betekenisgeving uitnodigt (de statische visie). Ik houd van het nomadisch lezen, van een inter- en transdisciplinaire benadering van poëzie (van tekstgericht tot contextualiserend, van poëticale tot editie- en neurowetenschappelijke studie, van intra- tot intertekstuele analyse. En bovenal prefereer ik traagheid. Een traagheid die aarzelingen in zich draagt, die het resultaat is van wat Sem Dresden noemt het cirkelend en tastend lezen, die een blijk van twijfel (aan eigen oordelen) mag zijn. Had ik mijn literatuurbeschouwing als resultaat van een esthetische ervaring op een ander moment op schrift gesteld, dan was de formulering wellicht ook anders geweest. Of met de Vlaamse schrijver Maurice Gilliams in het tijdschrift Contact: “Andermans boeken lezen en erover spreken is: in u-zelf lezen, u-zelf toespreken, om te beseffen wat gij gevoelt, wat gij weet en denkt”. Lezen nodigt voor een creatief lezer uit tot schrijven, door Roland Barthes ‘terugschrijven’ genoemd (“texte scriptible”). Schrijven biedt daarenboven de mogelijkheid tot herschrijven. Een stem hunkert kortom naar een tegenstem, een weerwoord, omdat mijn woord erin weerklinkt. In literatuur-kritische teksten vertolk ik een stem met aandacht voor poëticale stellingname, voor literaire persoonlijkheid, voor idioom en stilistische eigenheid, voor het idiosyncratische van elk individueel schrijverschap, voor de plaats van teksten in een zich voortdurend ontwikkelend oeuvre.

 

Teksten in context

Een bespiegeling van Odile Heynders en Jaap Goedegebuure is voor mij van toepassing: “Als je op een verantwoorde manier wil interpreteren heb je de keuze tussen uiteenlopende doelstellingen en uitgangspunten. Voor een deel zijn dat ‘zoeklichten’: je kunt interpreteren vanuit een bepaald perspectief. Voor een ander deel is het een keuze in context die je kunt maken. Je kunt een literair werk primair zien in de context van de ontwikkeling van de auteur, als bijdrage tot het literair klimaat, tot een literaire beweging, in relatie tot sociale en politieke omstandigheden, in relatie tot andere cultuurfactoren, wetenschap en zo verder. We geloven dat het irreëel is om te zeggen dat de ideale interpretatie die zou zijn die dat allemaal verwerkt. In de eerste plaats is dat vreselijk veel. Maar in de tweede plaats zou je geen manier hebben om het gewicht van die diverse contexten tegen elkaar af te wegen”.

Elders lees ik dit: “Elk metastandpunt over het lezen van literair werk is ‘een mythe’. Tekst (object van de hermeneutiek) en context (object van de empirie of de extra-literaire feitenanalyse) grijpen in elkaar.”

 

Beantwoordend aan een appel

Beschouwingen over literatuur, althans zoals ik ze wens te ondernemen, groeien vanuit het appel of dus een soort stilzwijgende oproep die van de literaire tekst uitgaat. Ze willen de tekst realiseren, en dat is voor de duidelijkheid méér dan beantwoorden aan het appel. Ze zijn een tegenstem, of met de woorden van Hans Groenewegen in de bundel Schuimen langs de vloedlijn (2002), waarin de opvatting van de Duitse receptietheoreticus H.R. Jauss echoot: “De lezer wekt het gedicht tot leven, omdat het in hem klinkt. Zijn vertolking voltooit het gedicht”. Literaire artefacten worden voltooid in de blik van de lezer, de mens die ik op het moment van de leeshandeling ben. Het gaat over pogingen tot vitalisering: lezingen willen gedichten dynamiseren, in beweging zetten. Ze trachten een beeld op te hangen dat vervolgens weer door andere beelden zal worden verdrongen. Iedere lezing is eindig en nodigt uit tot weer andere zienswijzen. Zolang gedichten worden gelezen en herlezen bestaan ze. Een kerngedachte die meteen de relativiteit van een literatuurbeschouwing scherp stelt, vind ik geformuleerd in de notities ‘Het verhaal dat zichzelf organiseert’, in De weg naar Tuktoyaktuk (1987) van de Nederlandse schrijver Gerrit Krol: “een literaire ervaring van twee lezers, ook al lezen zij dezelfde zin, [is] niet noodzakelijkerwijs dezelfde ervaring […]: zij kunnen dus over die ervaring niets anders uitwisselen dan de zin die deze ervaring bij hen teweegbracht. Je kunt dus alleen maar de gelezen zinnen noemen, of beamen. Zo praat je over literatuur”. Ik wil vooral getuigenis afleggen van een leeshouding en pleiten voor een traagheid van lezen. Er is nu eenmaal poëzie die daartoe uitnodigt. Niet uitsluitend bedachtzame poëzie, of cerebrale poëzie, ook flitsende, gesampelde, dynamische poëzie kan traagheid verdragen. De traagheid van het lezen, of zoals Krol in hetzelfde boek opmerkt: “Een zin is alleen leesbaar als hij ook goed uit te spreken is; de toon van een gedicht is de toon die je hoort als het inderdaad wordt voorgelezen. Toch zijn er veel gedichten die als ze alleen maar worden voorgelezen, inboeten aan zeggingskracht. Een deel van die kracht komt blijkbaar tot ons vanaf het papier. Wat verloren gaat, bij het voorlezen van een gedicht, is het gezicht ervan”. Dezer dagen, ik verwijs naar spoken word en slam poetry, denken we wellicht anders over gedrukte letters op papier en het veronderstelde verlies aan zeggingskracht van de tekst.

 

Grip krijgen is meer dan begrijpen

Langzaam lezen is een blijk van begrip – ik bedoel hiermee: een zoektocht om meer grip krijgen dan alleen een vorm van begrijpen, een poging tot voltooiing van een mechaniek dat door de dichter in gang is gezet, dat door de schrijver wordt aangeleverd. Beeldmateriaal waarmee wij als lezer aan de slag kunnen om onze verhalen te construeren. Het gaat over een poging tot vinden van wat je als lezer eigenlijk niet zoekt. Serendipiteit is de uitkomst van traagheid. En ook: wat weerbarstig is laat zich niet eenzijdig of eenduidig ontvouwen, voor eens en voor altijd. Tegenover J.H. de Roders stelling dat – ik veralgemeen – poëzie “neigt naar betekenisloosheid”, en dat betekenisloze componenten als rijm, metrum en ritme voor ze betekenis krijgen eerst een lichamelijke sensatie teweegbrengen [mijn cursief], stelt de Vlaamse dichter en neuropsycholoog Jan Lauwereyns de volgende bespiegeling in het inzicht-gevende essay Splash (2005), die ik altijd weer in gedachten meeneem: “Het gaat niet noodzakelijk om kennisverwerving, om het ontdekken van waarheden, al kan poëzie ons aangeboren of instinctieve verlangen kietelen om dingen te begrijpen. Of er echt iets begrepen wordt, is niet noodzakelijk van primair belang”.

In Tweespraak. Transversale gesprekke(n) met Klara du Plessis neem ik ook deze aantekening op: “Ik lees een passage in een boek waarin de beroemde uitspraak van T.S. Eliot wordt geciteerd: “Genuine poetry can communicate before it is understood”. Het communicatieproces verloopt niet (uitsluitend) cognitief. Het lezen van poëzie is een unieke ervaring en richt zich behalve op het verstand op onze zintuigen. De gedachte komt elders in de tweespraak aan bod. Het citaat van Eliot heb ik een tijd geleden opgehangen aan de glazen wand van een bibliotheekkast in mijn kantoor. Alsof ik iedere bezoeker wil confronteren met deze poëticale maxime. De nadruk ligt op het lezen. Verder in dezelfde alinea citeer ik Alfred Housman: “The name and nature of poetry indeed seems to be more physical than intellectual”. De begripsomschrijving van poëzie laat mij terugdenken aan de opzet van deze gedachtewisseling: we waren zinnens een boek te schrijven over het tactiele van de lyriek, hoe poëzie fysiek aanspreekt, tot onze zintuiglijke vermogens spreekt en we desondanks toch altijd weer geneigd zijn met ons brein te lezen. Het leesproces als een rationele oefening. Die premisse is eigen aan een klassieke lezersverwachting omtrent poëzie en blijft hardnekkig overeind”. Misschien wil ik in de spiegel van de literatuur meer die recenserende lezer ontmoeten en vernemen, wat de ervaring van een gedicht teweegbrengt, in beweging heeft gezet. Zonder daarbij in persoonlijke trivialiteiten te vervallen. Er bestaan intussen goed functionerende algoritmes om attesteerbare intertekstuele reminiscenties op te sporen en te catalogeren. De persoonlijke stem van de lezer die zijn verbeelding aanboort is daarentegen onvervangbaar. De kritiek is een getuigenis van een lees- en dus van een esthetische en tezelfdertijd een existentiële ervaring.

 

Deel:

  • Share on Facebook (Opens in new window) Facebook
  • Share on X (Opens in new window) X

Like this:

Like Loading…

Lees meer

← Yves T’Sjoen. Cahier van een lezer [8]
Yves T’Sjoen. Cahier van een lezer (10) →

1e kommentaar op “Yves T’Sjoen. Cahier van een lezer [9]”

  1. Marlies Taljard says:
    3 August 2023 at 14:50

    Yves, ek hou van die term “boekhouding” om die soort resensie te beskryf wat ons deesdae so dikwels sien. Dit dui op ‘n luiheid om die vrae “hoe” en ” waarom” te beantwoord. Indien intertekstualiteit bloot vermeld hoef te word, is dit inderdaad niks meer as ‘n boekhouding (van die kwaad) wat Google ook kan doen.
    ‘n Resensent moet sy saak kan stel soos ‘n advokaat in die hof met stellings, redes, genoegsame bewysmateriaal, duidelike denkspronge en ‘n goed gemotiveerde gevolgtrekking. Alles netjies uitgeskryf sonder lakunes.

    Reply

Lewer kommentaar Cancel reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Meeste gelees

  • Anne-Marie Bartie. glasman
  • Anne-Marie Bartie. fake news
  • Anne-Marie Bartie. visum
  • Margaret Cordier. Gestroop
  • Willem de Swyger. bokwagter

Nuutste bydraes

  • ND Cronjé. wiskunde
  • Driekie Grobler. skoffeer
  • Digtersprofiel: Pieter Odendaal
  • Yves T’Sjoen. “’n pêrel stilte”
  • Joan Hambidge. Cussons en “Die knetterende woord”

Nuutste kommentaar

  1. Versindaba on Gunther Pakendorf. hoe dooier hoe mooier16 September 2026

    Dankie Gunther. So op Breyten se verjaarsdag (Pampoendag). - Marlies Taljard

  2. Annora Eksteen on Gerrit Theron. Die vuurhoutjie11 September 2026

    Net so. Ek kan nie sonner my voorraad vuur houtjies nie. Kerse en gasstofie en die Kaap is heerlik Frans…

  3. Annora Eksteen on Vers-en-klank: Joan Hambidge11 September 2026

    Bai geluk professor Joan! Lank leef! ♥

  4. Bernard Odendaal on Resensie: “Van man tot man” (Olive Schreiner, versorg & verwerk deur JM Coetzee, vert. deur Antjie Krog)10 September 2026

    Jy het my nou nog nuuskieriger gemaak. Dankie, Marlies!

  5. Yves T'Sjoen on Joan Hambidge. Sheila Cussons en Dominique Botha: Die ander waarheid8 September 2026

    Bijzonder interessant, Joan. Er valt een boeiende literatuurgeschiedenis te schrijven op basis van dergelijke literaire correspondenties of consonanties. Dat betekent…

Kategorieë

  • Artikels, essays, e.a.
  • Binneblik
  • Blogs
  • Digstring
  • Gedigte
  • Kompetisies
  • Nuus / Briewe
  • Nuwe Publikasie
  • Onderhoude
  • onderhoude
  • Resensies
  • Stemgrepe
  • Uncategorized
  • Vertalings
  • VWL 50 jaar later
  • Wisselkaarten
©2026 Versindaba | Ontwerp deur Frikkie van Biljon
%d