
Marlies Taljard
Breytenbach het ’n besondere band met Nederland/België gehad. Was die Nederlandstalige ruimte vir hom ’n huis weg van sy tuiste? Of het hy hom weens die taalbekendheid daar tuis gevoel? Of was dit ’n opstand téén Afrikaans en die apartheidsregering? Wat het Nederland/België hom gebied wat hy nêrens anders kon vind nie?
Yves T’Sjoen
Breytenbach vond aanklank bij schrijvers, vertalers, uitgevers en ook galeriehouders in de Lage Landen. Al vanaf 1964 exposeerde hij in de modernistische Galerie Espace op de Keizersgracht in Amsterdam, zijn literaire werk verscheen vanaf eind jaren zestig in Vlaamse en Nederlandse periodieken, vanaf begin jaren zeventig bij de uitgeverijen Meulenhoff en Van Gennep (later bij Podium). Dankzij Laurens van Krevelen, toenmalig directeur van Meulenhoff, en Rob van Gennep zijn literaire teksten in de Afrikaanse brontaal en/of Nederlandse vertaling uitgegeven. Een resem vertalers hield zich bezig met zijn werk (Gerrit de Blaauw, Jan Louter, Adriaan van Dis, Maarten Polman, Laurens van Krevelen e.a.). In Nederland, niet te veronachtzamen ook in Vlaanderen, had Breytenbach een lezerspubliek en gedurende decennia hebben literaire agenten er zich bekommerd om zijn creatieve werk. Hij is daarvoor ook geëerd, niet alleen met literaire prijzen (in 1968 ontving hij voor Die huis van die dowe de Reina Prinsen Geerligsprijs voor Zuid-Afrika, in 1972 voor Lotus de Lucy B. en C.W. Van der Hoogtprijs), maar dus ook een eredoctoraat (2014) en wetenschappelijke symposia over zijn werk. Hij exposeerde onder meer met Hugo Claus in het Elzenveld in Antwerpen (1993), uiteraard vele keren bij de vrienden Eva Bendien en Rutger Noordhoek Hegt in Amsterdam. Hij trad op tijdens literaire manifestaties, vooral het Poetry International Festival in Rotterdam. In De ontdekking van het eiland beschrijf ik op basis van documentair materaal in het Poëziecentrum (Gent) een schrijversoptreden in 2004 in Brugge. Op tal van plekken heeft hij op uitnodiging zijn poëzie gelezen in de Lage Landen. Er is kortom een monografie samen te stellen over Breytenbach in Nederland en België. Het voelde voor Breytenbach als thuiskomen: Gent was voor de schrijver een baken, beslist sinds de uitreiking van de eredoctorstitel in de aula van de universiteit op 3 december 2014. Hij beheerste het Nederlands en probeerde in het Nederlands te corresponderen, en vele van zijn dichtersvrienden, waarnaar hij trouwens verwijst in zijn verzamelde gedichten, vond hij in de Lage Landen (zoals Campert, Claus, Kopland, Lucebert, Schierbeek, Ten Berge, Van Vliet). Vooral met Remco Campert had Breytenbach een hechte vriendschapsband, getuige de opdrachten in zijn boeken die hij de Nederlandse dichter schonk.
Wanneer Breytenbach eind jaren vijftig Zuid-Afrika verlaat en zich in 1962 in Parijs vestigt, heeft dat natuurlijk alles te maken met het apartheidsregime én de nomadische aard van de jonge kunstenaar. Na omzwervingen komt hij in Frankrijk terecht. Vele decennia zal hij als balling, na de gevangenisjaren ook als Frans staatsburger, de politieke situatie in Zuid-Afrika op de voet volgen en het culturele leven van de Afrikaanse (Afrikaner) cultuurgemeenschap van kritisch commentaar voorzien. Het is hem herhaaldelijk kwalijk genomen dat hij vanuit het noorden zich zo recalcitrant opstelde en vanaf het buitenland zijn maatschappelijke visie op zijn vaderland en alle mistoestanden niet onder stoelen of banken stak.
In Nederland en Vlaanderen vond hij een plek, net zoals hij een thuis had in het Breytenbachsentrum in Wellington, waar hij met een gedicht op de gevel van het ouderlijk huis – nu een multidisciplinair gemeenschapscentrum – waakt over de dichterstuin. Hij was thuis in de Rue Malebranche nabij de Jardin du Luxembourg in Parijs, en hij had vele jaren een toevluchtsoord en vestigde zijn schildersatelier in de buurt van Girona. “El cant dels ocells” is een bekend Catalaan lied dat een ode brengt aan de vogels, een veel voorkomend motief in het beeldend en literair oeuvre van Breytenbach. De verblijfplek in Catalonië is door Breytenbach in zijn geschriften Can Ocells genoemd. In Woordvogel, de Nederlandse vertaling van A Veil of Footsteps (Memoir of a Nomadic Fictional Character), is in de slotalinea van ‘De terugkeer naar Parijs’ sprake van “Can Ocells, de oude boerderij op een Catalaanse heuvel waar Gouden Lotus en Breyten Woorddwaas de zomer doorbrengen” (vertaling Krijn Peter Hesselink, Podium, Amsterdam, 2008, blz. 42).
De oude plataan in Rotterdam, sinds 2014 omgedoopt tot Breytenbachboom of ‘Poetree’, is een lieu de mémoire – het Graf van de Onbekende Dichter. Breytenbach mijmerde er al over in zijn gevangenisproza (“spiegelnotities”) gebundeld in Mouroir. Ik besluit De ontdekking van het eiland met een elegische tekst waarin Breytenbachs streven naar een plek waar de onbekende dichter, die naar eigen zeggen in ieder van ons schuilgaat, een haven heeft. Een plaats waar de gedichten vrij zijn, zo staat er sinds 2014 te lezen op een plaquette bij de boom. Poetry Intenational heeft dat plan van Breytenbach gerealiseerd op het festival in 1986 met een feestelijke inwijding. De komende maanden plant Bas Kwakman, jarenlang directeur van Poetry International (2003-2019) en goed bevriend met Breytenbach, een hommage aan Breytenbach onder de plataan gelegen aan de Westersingel. In een bericht van Breytenbach aan Kwakman, door mij geciteerd in het werkschrift, sprak de schrijver de wens uit dat zijn as zou worden verstrooid onder de eeuwenoude boom in Rotterdam, de stad van de wereldpoëzie.
MT
Hoe verskil die resepsie van Breyten Breytenbach se werk in die Lae Lande met die wyse waarop sy werk in Suid-Afrika ontvang en beoordeel word?
YT
Dat is een interessante vraag met een uitgebreid antwoord. Ik beperk mij noodgedwongen tot een paar beschouwingen. Over de receptie van Breytenbachs werk in Zuid-Afrika is door Francis Galloway natuurlijk heel veel opgetekend. Ik verwijs vooral naar haar onderzoek. Door Breytenbach is Francis beschouwd als zijn persoonlijke archivaris. Over de kritische ontvangst in Nederland hebben vooral Jaap Goedegebuure, Annemiek Recourt en Erik van den Bergh gepubliceerd. Met mijn recente studies, onder meer over Breytenbach en de Lage Landen, heb ik gegevens toegevoegd en het nodige uitgediept. Wat vooral een toegevoegde waarde heeft in de receptiestudie is de documentatie van de beeldvorming in Vlaanderen. In het Nederlandse taalgebied van de Lage Landen is sprake van twee literaire polysystemen. Hoewel de taal een verbindend gegeven is, hebben de literaire culturen in Nederland en Vlaanderen elk hun eigen tradities en dynamiek. Bijgevolg is de lezing van een buitenlands schrijver boven en beneden de Moerdijk in mindere of meerdere mate verschillend. Ik formuleer in Kwintet en ook in beide werkschriften aanzetten voor een studie van de receptie van Breytenbachs literatuurproductie in Vlaanderen. Uit vergelijkend receptieonderzoek moet blijken of er parallellen dan wel divergenties zijn in de ontvangst. Feit is dat sinds H.C. ten Berges nawoord in de Meulenhoff-editie Skryt. Om ’n sinkende skip blou te verf (1972, 1976) de nadruk in de Nederlandse receptie voornamelijk ligt op het maatschappelijk engagement en de antiapartheidstandpunten. Tijdens en na de gevangenisperiode (1975-1982) is het werk nogal eenzijdig politiek gelezen, vanaf dat moment in Nederland veel minder vanuit het standpunt van het literair experiment of Breytenbachs postuur van Sestiger. Er zijn hoe dan ook raakvlakken in de lectuur van Breytenbach in Zuid-Afrika en de Lage Landen, maar dus ook markante verschillen – met in de Lage Landen wellicht na het Raster-optreden van Breytenbach (1969-1972, 29 gedichten en een prozatekst) meer aandacht voor de buitenliteraire (ideologische) opvattingen en de mate waarin het artistieke werk hiervan een expressie is. In Zuid-Afrika zien we die verschuiving van esthetiek naar ethiek in de kritische lezing iets later, zeker naar aanleiding van de arrestatie, de twee hofzaken en de opsluiting in de gevangenis.
MT
Die derde deel van De ontdekking van het eiland handel oor aspekte van Breytenbach se oeuvre wat tot op hede in die Suid-Afrikaanse literêre kritiek min aandag gekry het. Kan jy reageer?
YT
In ‘Breytenbach en Afrika’ verzamel ik notities over Breytenbachs verbeelding van Afrika. Met Alwyn Roux werk ik sinds 2019 aan een Unisa VisionKeepers-project ‘Om Afrika te verbeel/Imagining Africa’ in de latere lyriek van Breytenbach. De komende jaren willen we hier samen verder op inzetten. Een bezoek aan het archief van het Gorée Institute in Senegal staat op de agenda. Intussen hebben we op symposia zoals ALV, SAAWK en IVN in Nijmegen en in publicaties zoals TN&A resultaten van het veelomvattend onderzoek bekend gesteld. Wat beslist meer aandacht verdient, is de Afrika-filosofie. Bekend is Breytenbachs betrokkenheid bij het GORIN Centre pour la Démocratie, le Développement et la Culture en Afrique, de niet-gouvernementele organisatie (ngo) in West-Afrika die kunstenaars en intellectuelen samenbrengt. Vanaf het begin van zijn artistieke en literaire loopbaan heeft Breytenbach in de lyriek en in het essaysistisch en scheppend proza onafgebroken gereflecteerd over Afrika. Er is een bloemlezing samen te stellen met Afrikagedichten, een plan dat Alwyn en ik nog steeds hebben. In De ontdekking van het eiland, vooral in het uitvoerige deel over Breytenbach en Afrika, ga ik in op politieke ideeën en bijvoorbeeld het streven naar de Verenigde Staten van Afrika van de vroegere Ghanese president Kwame Nkrumah – Ghana was het eerste onafhankelijke land van Afrika – alsook de opvattingen van de leider van het PAC Robert Sobukwe. En voorts opvattingen over dekolonialisme van Aimé Césaire, Frantz Fanon, Édouard Glissant en Léopold Senghor.
Gorée neemt een centrale plaats in het denken en handelen van Breytenbach in, die zich een Afrikaan noemde en niet een Afrikaner. Zijn essays en toespraken hierover zijn bekend. Yolande en Breyten hadden zelfs het plan opgevat om er zich blijvend te vestigen, maar dat is door omstandigheden niet gelukt. Het voormalige slaveneiland Gorée was zijn haven, hij sprak over een ankerplaats, de plek waar hij kon schrijven en schilderen, een baken voor zijn Afrika-filosofie en pan-Afrikaanse gedachten. In 2022 hebben Breytenbach en ik nog uitgebreid gepraat over het GORIN (“une maison pour la démocratie”) en het strategisch plan (2021-2025) dat hij er dat jaar heeft voorgelegd. Het gesprek komt ter sprake in De ontdekking van het eiland.
Bij het herlezen van Berichten uit de Middenwereld (vertaling Krijn Peter Hesselink, 2010) bleef ik haperen aan een passage waarin Breytenbach de doelstelling van het Gorée-instituut toelicht en hoe hij Afrika tracht te verbeelden: “De verbeelding waar ik het over heb moet actief vorm worden gegeven. Bij het Gorée-instituut weten we hoe sommige antwoorden eruit zouden kunnen zien. We weten dat er als partners samengewerkt moet worden met anderen – ngo’s, internationale instituten, donoren – om expertise te mobiliseren door netwerken te vormen en de noodzakelijke kennis op te bouwen en zo ons vermogen te vergroten de oorzaken van conflicten en de hefbomen van ontwikkeling te doorgronden. […]” (blz. 90) Ook na zijn dood zal het instituut een baken blijven in West-Afrika voor transnationale gesprekken over democratie, cultuur en ontwikkeling. Op de intussen vernieuwde webste van het GORIN staat de opzet als volgt toegelicht: “GOREE INSTITUTE est une organisation panafricaine de la société civile, qui a pour mission de contribuer à la mise en place de sociétés paisibles, justes et autosuffisantes en Afrique, de renforcer le dialogue politique pour la résolution pacifique des conflits, de contribuer à la consolidation des processus démocratiques et des institutions, et d’encourager la créativité artistique, sociale et économique”.
Ook in de andere delen van De ontdekking van het eiland, ‘Breytenbach en de Lage Landen’, ‘Breytenbach en het verzet’ en ‘Breytenbach en vertaling’, presenteer ik onderzoeksbevindingen op basis van sporen en vondsten. Ze hebben naar mijn oordeel een toegevoegde waarde voor het al bijzonder uitgebreide Breytenbach-onderzoek. In een uitleiding onderstrepen Louise Viljoen en Andries Visagie, beiden Breytenbach-experten, de aanvullende waarde van de verzamelde beschouwingen voor het onderzoek dat na het overlijden van Breytenbach, méér dan alleen een icoon van de Afrikaanse letteren, hoegenaamd niet eindigt.
Wordt vervolgd
