Ester Naomi Perquin – Bovenaanzicht

Het zou natuurlijk kunnen dat ik als kind te veel over de dood heb gelezen. Oorlogsromans, detectives, griezelverhalen vol moord en verderf; de romantiek had een goeie aan mij. Toen ik dertien was knipte ik overlijdensadvertenties van wildvreemden uit de krant en hing ze boven mijn bed. Misschien komt het daardoor. Zolang ik als me kan herinneren leef ik in de stellige overtuiging dat ik ooit, tijdens een wandeling, een lijk zal vinden.

Nu is het niet zo dat ik er duistere fantasieën op na hou of uitkijk naar het moment waarop het eindelijk gebeuren zal – in tegendeel – maar ik vermoed dat het me te wachten staat en dat vermoeden is hardnekkig. Ik ben er precies het type voor. Dat is een gevolg van de bewoordingen, vermoed ik, want in de kranten (‘Lichaam gevonden bij gesloten fabriek’ of ‘Stoffelijk overschot ontdekt in weiland’) wordt de vinder van het lijk bijna altijd omschreven als ‘een argeloze wandelaar’ of ‘een toevallige passant’. Kijk, dat zijn nou eens woorden waar ik me lekker bij voel. Heel sympathiek klinken ze – en toch roepen ze een vage achterdocht op. Argeloos en toevallig, jaja. Zulke woorden dragen hun tegenhangers in zich mee. Vermoorde onschuld, daar denk ik aan. Hoewel iets minder prominent. Onschuld die nog niet weet dat ze vermoord is. Een geestverschijning.

Je moet als argeloos en toevallig iemand trouwens nog aardig avontuurlijk zijn ingesteld. Een ochtendmens, bij voorkeur. En sportief. Lijken worden tenslotte zelden ontdekt op openbare, drukbezochte plaatsen. Meestal is er sprake van een schaduwrijke plek in een afgelegen bos. Een rietkraag. De rafelrand van een industrieterrein of de sloot achter een vervallen voetbalveldje. Daar loopt of holt iemand dan langs, meestal vroeg in de morgen. (Als je er over nadenkt is het bijna verdacht, hoe op al die plekken steeds weer zo’n zelfde argeloze wandelaar opduikt).

Juliën  Holtrigter

Juliën Holtrigter

Ik moest weer denken aan dat ooit-door-mij-te-vinden-lijk bij een gedicht van Juliën Holtrigter. Het is een gedicht dat met lijken misschien niet eens te maken heeft, maar hoe gaat dat, een regel of twee maakt zich los, rakelt van alles en nog wat op, begint zich met gedachten te bemoeien en voor je het weet zit je weer met je eigen associaties op schoot.

Wat ik goede poëzie vind zal ik wel nooit met zekerheid leren benoemen maar wat ik een goed gedicht vind, dat merk ik vaak vanzelf. Mijn smaak lijkt er in beginsel weinig bemoeienis mee te hebben (dat boezemt mij vertrouwen in). Als het om poëzie gaat is mijn geheugen doorslaggevend. In de rij voor de kassa of fietsend door de donkere stad schiet me simpelweg een regel te binnen. Soms zelfs een heel gedicht.

Ach, denk ik dan, dat heb ik onthouden, dat vind ik dus mooi. (Het is wel een rare bedoening daarboven, want platte reclamespotjes onthoud ik natuurlijk óók, maar moet zichzelf niet altijd willen begrijpen).

 Afijn, het gedicht van Juliën Holtrigter waar het me nu om te doen is komt uit zijn bundel Het feest van de schemer (Uitgeverij de Harmonie, 2009) en luidt als volgt:

 

 

Onderaanzicht, bovenaanzicht

 

Zware, verregende paarden, de hoeven diep

in de klei. En spreeuwen.

 

Maar nergens mensen.

Kijk wat ze sloopten. En wat ze bewaren:

roestige wagens en automaten.

Het blauw van de hemel vertilt zich eraan.

 

De toekomst is naar de archieven op weg.

Ons brein is te klein, zelfs ons eigen bestaan

puilt eruit.

 

Over de huizen te kijken, de dans te zien

van de daken, de zee daarachter, beneden

iemand die rent om een trein nog te halen.

 

Het licht, uit grijnzende auto’s gelekt, verliest

zich in bouwpuin en koude machines.

 

Omslag

Het feest van de schemer

Een heel onthoudbaar gedicht, wat mij betreft. Niet in de laatste plaats omdat er direct iets gebeurt waar ik een liefhebber van ben. Zo’n mededeling als En spreeuwen  – ik heb blijkbaar een hoofd dat daar mee op de loop gaat. Zo lees ik al gauw een kleine dialoog waar van een dialoog geen sprake is. Dat klinkt ongeveer zo:

 

Zware verregende paarden, de hoeven diep in de klei.’

“Vergeet de spreeuwen niet, er waren vast ook spreeuwen!”

“Goed dan: ‘En spreeuwen.'”

Maar daar gaat het me hier niet om, om die spreeuwen of een impliciete tweede stem. Het gaat mij om het landschap dat in deze drie regels ontstaat, afgerond met dat semi-achteloze ‘maar nergens mensen.’  Als ik het lees schuift mijn ongevonden lijk haast vanzelf het gedicht in (of rolt eruit tevoorschijn, wie weet hoe dat werkt). Niet alleen vormt die drassige klei met zware, verregende paarden een goed decor voor een lugubere vondst, (nergens mensen), ook de stem die hier klinkt lijkt niet helemaal in de haak. Zo is er sprake van een eigenaardige vertedering die met terugwerkende kracht in het hele gedicht achterblijft als er staat: ‘Kijk wat ze sloopten. En wat ze bewaren.’ 

De beschrijving die volgt versterkt die sensatie. Hier kijkt iemand die niet meer helemaal menselijk is. Ik volg een blik – een verbazend beweeglijke. Een blik die scheert over het landschap en over de huizen kan zien, de zee daarachter, het licht dat uit grijnzende auto’s lekt. Is dit iemand die aan de mensheid ontstegen is? Ontsnapt? Er staat nog wel ‘ons brein is te klein’, maar die ‘ons’ – zijn dat de levenden of de doden? ‘De toekomst is naar de archieven op weg’  klinkt in dat licht ook ineens een tikje zelfvoldaan, alsof iemand je zegt: uiteindelijk zal ook jij je bij ons voegen.

Hoe vaker ik het gedicht lees, hoe zekerder ik word dat het lichaam waar deze blik bij heeft gehoord ergens op de grond is achtergelaten. Zo zal ik het dus wel vinden, op een dag, als ik vroeg in de morgen besluit te gaan wandelen. Langs de zware, verregende paarden in de klei. Tussen het puin en de koude machines. Maar: argeloos natuurlijk. En toevallig. 

(Ester Naomi Perquin)

 

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •