Chris Coolsma. De liefde voor poëzie

Blokfokus

  

Er wordt wel gezegd dat meer dan de helft van de Nederlanders gedichten schrijft. Ik durf wel te beweren dat meer dan driekwart van mijn landgenoten zingt. Gelukkig voor de anderen gebeurt dat meestal binnen de muren van het woonhuis – en blijft het zingen dan nog verder beperkt tot de badkamer of andere ruimten waar het ruim klinkt. Dit wijst volgens mij op het oerkarakter van dichten en zingen. Onze verre voorouders zongen eerst, daarna zijn ze gaan dichten, al heette dat nog niet zo, en uiteindelijk ontstond zo de taal, soms losgezongen van het innerlijke draaiorgel, maar daar vaak nog innig mee verweven. Dat hoor je als een Chinees spreekt, maar dichter bij huis ook als de Limburger zijn singsong uit.

De liefde voor poëzie, want zo mag ik mijn relatie met gedichten en dichten wel noemen, is in mijn geval ook begonnen met rijm op muziek. Als heel klein jongetje schijn ik tijdens het spel met de blokken al heen en weer schommelend ‘zumWetterzum Tonner, zumWetterzum Tonner’ gezongen te hebben, tot grote vreugde van Bachminnende ouders. Niet lang daarna moet Annie M.G.Schmidt mijn leven zijn binnengerijmd. Op ons kinderboekenplankje verscheen een kleine bundel met een fluitketeltje op de omslag. ‘Meneer is niet thuis en mevrouw is niet thuis, het keteltje staat op het kolenfornuis, de hele familie is uit en het fluit en het fluit en het fluit’. Sommigen zullen dit geen poëzie noemen, maar rijmelarij. Het heeft echter een onuitwisbare indruk, een groot geluksgevoel en een behoefte aan spelen met woorden achtergelaten. Want laat ik daar direct duidelijk en eerlijk over zijn, mijn liefde voor poëzie is op drie zaken te herleiden: verslaving (het geluksgevoel telkens willen opwekken), ritme (het spelen met woorden) en klank (de verwantschap met muziek).

Later kwam daar nog iets bij. Op de middelbare school werden we veel te weinig met poëzie in aanraking gebracht, ik kan me niet herinneren dat ik ooit opdracht kreeg om een gedicht te schrijven, maar er was op een dag wel een enthousiaste leraar die vol vuur gedichten voorlas. Voor meer moest je naar het gymnasium en niet naar de HBS. Het enthousiasme van de leraar maakte echter iets wakker en eenmaal voorbij de puberteit (waarin ik bij voorkeur geen gebruik van mijn hersenen wilde maken) en in de vierde klas (we waren nu bij de moderne tijd aangekomen) ging het gordijn open en betraden Gorter, Roland Holst, Leopold, Nijhoff en Vasalis het podium. Vooral Vasalis, wiens bundels ik als studentje kocht en ook las. Wat er bij kwam was de helderheid van het licht dat deze dichters op de werkelijkheid richtten en de ontdekking dat er vele werkelijkheden zijn. Ik ging dus van dichters houden en van hun scherpe blik. Vroman betrad mijn wereld, of moet ik zeggen dat ik de wereld van de geestige Vroman betrad.

Wat me bij de vijfde pijler van mijn liefde voor de poëzie brengt, die ik zoëven vergat: de humor, wat natuurlijk de hoogste vorm van luciditeit, of zo u wilt intelligentie is. Dat zei onlangs RayKurzweil, de futuroloog, in het televisieprogramma ‘Wintergasten’ van de  VPRO (ook een vaste leverancier van genot en geluk). Wat de cirkel rond maakt, want humor, ritme, klank en verslaving zijn de eigenschappen van de poëzie van Annie M.G.Schmidt. Laat uw kinderen dus zoveel mogelijk rijmelen. Er is nog tijd genoeg voor het geluk van de duik in de diepte.

 

 

 

 

Chris Coolsma

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •