De Verdoemde Vrouw
Dit is de natuur en daar ligt jouw aard
Jij heult met de vijand
Mijn eerste vijand en jij heult
Ik kan niet huilen
Mijn huilen is uitgeteld
Dus scheld ik tegen de paraplubak
Die ik gisteren gestolen heb van mijn nicht.
Mijn nicht is perfect rondborstig
Drie keer per dag vergeet ze
Dat ze niet mag eten
Twee keer voor zonsondergang
Bedrijft ze de liefde met een hondse metselaar
Twee maal drie keer vraagt ze genade
Aan een gigantische eekhoorn in piepschuim.
Jij schreeuwt wanneer ik je veranda besmeur
Je schreeuwen klinkt koket
Alsof je in een parochiale versie van Blauwbaard
De vrouw met de kleverige sleutel speelt
Ik mis hoe we vroeger waren.
Mijn eerste vijand is mijn kok geworden
Door een sinistere samenloop van omstandigheden
Ligt er een onthoofde vis op mijn babybord
Til ik de vis op
Dan vind ik ogen
Blaas ik de ogen weg
Dan vind ik vissen met koppen in een wrakloze zee.
Hemellichamen gespeend van staarten
Hij beschrijft een aandoenlijke planeet
Die nog ontdekt moet worden
Naast het keukentrapje staat een toiletborstel
Die lijkt op een wraakzuchtige telescoopvis
Maar zo’n vis ben ik nog nooit tegengekomen.
Ik vraag hem waarom de borstel daar staat
En waarom zijn hond Saturnus heet
Hij antwoordt met koude linzen in een kom
De kom mist de illusie van rennende hazen
Zijn hond likt bedachtzaam bessenresten van de grond.
Zijn vader komt binnen om toestemming te vragen
Toestemming om met geld naar een vrouw te gaan
De vrouw is een voluptueuze garnalenpelster
En hij wil een sjaal voor haar kopen
Een bonte sjaal waarop caleidoscopische paarden steigeren.
Hij geeft blasé ostentatief briefjes aan zijn vader
Die vroeger een geniale astrofysicus was
Maar nu willekeurig destructief door gaten waadt
Saturnus draait en beseft te laat
Dat hij geen staart heeft om aan te sabbelen.
De ex-astrofysicus vindt een sjaal
En een speen waar ooit melk uitkwam
Voor een doodgeboren zoon
De garnalenpelster heeft de melk niet verspild
Het is dankzij haar dat ik Saturnus ken.
Gewelddadig blauw in de veranda van de verdoemde vrouw
In jouw droom draag ik een degelijke jas
Zo’n jas werd ooit gedragen door een strenge vrouw
Die in Praag jouw gids was en wees
Naar een dissidente toneelschrijver in brand
Maar het was trucage of een hallucinatie.
In jouw ochtendritueel leg ik een boterham op je bord,
Trek ik de vaatdoek van de kanariekooi,
Groet de postbode die mij uitlacht
Omdat de indruk van een wafelijzer in mijn handen staat
Maar het zijn stigmata of speculaasvormen.
Mijn dag begint
Wanneer jouw hoofd verdwijnt
Onder de motorkap van een wielloze auto
Die vroeger werd gebruikt door een vroedvrouw
Om bezeten meerlingen naar steriele gravinnen te transporteren.
Ik trek mijn gewelddadig blauwe herfstjas aan
En fiets hongerig strijdvaardig naar mijn opdrachtgever
In de veranda van zijn bedlegerige moeder val ik uit de toon
Ik strijk stomend nachtkleedjes die geesten met levenden verzoenen
En zakdoeken waarop onbesproken herders
Suikerwafels ontvangen van een valse profeet.
In de badkuip van de bedlegerige moeder droom ik
Dat ik je gids ben in Praag
Ik heb de touwtjes in handen
Lege zuivelrekken kunnen mij niet ontmoedigen
Wanneer ik wijs wijs ik naar een geldig briefje op de grond
Maar het is een diagnose of een doodsbedreiging.
Mensen blijven onvatbaar
Ik wil vandaag normaal zijn
Daar heb ik jou voor nodig
Jij bevestigt mijn naam en verjaardag
Gisteren was maandag
Vandaag gaan we vermomd als baders
Naar de kruidenierszaak van je enige dochter.
In de auto luisteren we naar de radio
Gelukkig spreekt daar niemand
Die om ons geeft
Een man die al gestorven is zingt
Over een ontsnapte gevangene
Je zegt inconsequent dat je dochter vroeger getrouwd was
Met een anorectische kiwisorteerder die hotelzeepjes verzamelde.
Mijn vader zit in een cel
Hij boent zijn vloer met bijenwas
En denkt hartstochtelijk aan zijn dochter
Hij begrijpt niet waar die hartstocht vandaan komt
Hij zoekt naar de Zweedse vertaling van ‘bij’
Voor hij die vindt is zijn derde vrouw op.
Jij ziet mij graag blozen
Wanneer ik vraag waar het zout staat
Trek je een blad van mijn rug
In alcoholstift staat daar dat ik hoogmoedig ben
‘Het is waar!’ zegt je enige dochter gretig.
De derde vrouw van mijn vader vertrekt
Naar een onpopulair bedevaartsoord
Toegekomen eet ze zittend
Op een gedumpte tombolaprijs sandwiches met stroop
Daarna bidt ze dat hij zich aangeeft.
© Delphine Lecompte, 2011
(Lecompte se derde bundel ‘Blinde gedichten’ sal in Januarie 2012 by die uitgewer De Bezige Bij Antwerpen verskyn. – Red.)
