Mustafa Stitou – Tempel
Hoe is het voor een stier om geen echte maar een nepkoe te bevruchten? Waaraan zou Doortje 3017 denken als zij door een robot wordt gemolken? Tien jaar heeft het geduurd, maar eindelijk is er nu Tempel, de opvolger van de Varkensroze ansichten. En in die nieuwe bundel van Mustafa Stitou huist nogal wat vee. Koeien zijn op drift geraakt – er steekt er een de N279 over om een duik in een zwembad te nemen, elders ligt er een pontificaal in een woonkamer – terwijl een Brabantse boer in plaats van koeien maar kamelen is gaan houden. De oude wereld, de wereld waarin mensen wisten dat je ‘kersenvlekken’ het beste ‘een halve dag’ kon laten ‘weken in melk’ is niet meer. De stier, ooit symbool van het goddelijke, is ontheiligd, want sinds de mensen ‘de dieren bestieren’ is het langzaam bergafwaarts gegaan. De koe is vooral een nuttig dier, dat efficiënt dient te worden gemolken.
De oude wereld is onttoverd, heeft zijn glans verloren. Zelfs in Mekka, het bedevaartsoord voor Moslims spelen bavianen met colablikjes en chipszakken.
Mantelbavianen
scharrelen tussen het afval
dat de pelgrims achterlaten
op hun tocht naar de grot
in de top van de berg
waar aan de profeet
de engel verscheen.
Zoals de koeien, is ook de mens is van zijn natuur vervreemd geraakt. Stitou vertelt het in zijn bekende trage, soms nadrukkelijk plechtige zinnen. Geestig en met ironie. Zoals de monoloog van de plastisch chirurg tegen de vrouw. Met vileine precisie somt de arts op hoe de dood op afstand gehouden kan worden:
En wij hebben de middelen
om uit je lichaam de dood
te verjagen, onze rimpelvuller
om maar iets te noemen
is een wereldwijd succes.
Maar echt te lachen valt er niet, het lachen is verworden tot een ‘afgronddiepe lacherigheid’. Uiteindelijk is het behoorlijk grimmig in Stitou’s Tempel, die zich uitstrekt van Oost naar West, en waarin achter de waan van de hedendaagse wereld, oude mythes en religies schuilgaan: zo worden in het openingsgedicht, waarin een zoon de kist met daarin zijn dode vader niet langer kan dragen en de vader vraagt zelf naar het graf te lopen. De vader gaat liggen, ‘moet van zijn god met zijn gezicht naar het oosten liggen,’ maar de zoon weet niet waar Mekka ligt.
Tegen het einde van de bundel wordt de vervreemde ‘stadsmens’ nog op een Lucebert-achtige wijze toegesproken als hem wordt gemaand: ‘ga liggen in het gras,/ vind stil de god die zich in je verborgen houdt.’ Maar ook die god blijkt niet meer dan een lege kern.
In de moderne maakbare wereld is niks meer heilig, is er geen houvast. Het is een weinig opwekkende boodschap. Mustafa Stitou brengt ’m groots.
1
Waar denk je aan, Doortje,
Wanneer je de robot betreedt,
Zijn laserstraal je uier aftast –
Ontsnappen aan de stal
En dit systeem? Door uitgestrekte
Grasvlakten draven, Doortje?
Zwemmend rivieren oversteken?
Onder de sterrenhemelen slapen
En ’s winters een mantel dragen
Van sneeuw? In rotssteen misschien,
Doortje 3017, vereeuwigd worden
Met zware, sierlijk voorwaarts
Gerichte hoorns door een
Verwonderde hand uit
Het paleolithicum? Doortje?
Mustafa Stitou – Tempel. De Bezige Bij, 64 pagina’s, 16,50 euro, ISBN 9789023478867
Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

