Onderhoud met Daniel Hugo: Na die wette van Afskeid & Herfs

 

 

 

Vraaggesprek tussen Yves T’Sjoen (YT) en Daniel Hugo (DH) oor Na die wette van Afskeid & Herfs. ’n Keuse uit die gedigte van Eddy van Vliet (Protea Boekhuis, 2021)

 

YT: In 2007, vijf jaar na het overlijden van de dichter, verscheen in het fonds van De Bezige Bij (Amsterdam) de editie met het verzameld dichtwerk van Eddy van Vliet (1942-2002). Het project is gerealiseerd door Christophe Van der Vorst en Yves T’Sjoen in samenwerking met Els van Damme. Het is gefinancierd door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren (Gent) en geïnstigeerd door het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie. De redacteur van De Bezige Bij was Alfred Schaffer.

Na de door Heilna du Plooy vervaardigde Afrikaanse vertaling van Van Vliets in het Nederlands meermaals herdrukte essay Poëzie. Een pleidooi (1991) is nu een bloemlezing van zesendertig gedichten van Eddy van Vliet beschikbaar dankzij Daniel Hugo. De titel Na die wette van Afskeid & Herfs is ontleend aan de bundel Na de wetten van Afscheid & Herfst (1978).

De bibliografische verwijzingen in het boek laten zien dat uit Van Vliets derde dichtbundel columbus tevergeefs (1970) – na Het lied van ik (1964) en Duel (1967) – twee gedichten zijn geselecteerd (‘Biografie’ en ‘“wij drinken dagelijks”’) en uit Van bittere tranen Kollebloemen e.a. Blozende droefheden (1971) maar één tekst (‘Vader’). Ik geef de bundeltitels weer conform de titelpagina en de weergave in de editie van het verzameld werk. Uit het latere werk is ruimer geselecteerd: Na de wetten van Afscheid & Herfst (1978, 3), Glazen (1979, 6), de verzamelbundel Het grote verdriet (1981, 3), Jaren na maart (1986, 3), De binnenplaats (1987, 6), De toekomstige dief (1991, 6), Zoals in een fresco de kleur (1996, 2), de derde en laatste geautoriseerde (zelf)bloemlezing Gigantische dagen (2002, 1) en de postume uitgave Laatste gedichten (2003, 1). Tot slot heeft Daniel Hugo ook twee in het tijdschrift Revolver gepubliceerde gedichten opgenomen (in de afdeling met “verspreid gepubliceerde gedichten” van de Verzamelde gedichten): ‘“Geen slot, zelfs bij gebrek aan de juiste sleutel”’ (1980) en ‘Hommage aan Tomas Tranströmer in het Victoriatheater (Malmö)’ (1997).

Uit dit overzicht blijkt de keuze voor het romantisch dichtwerk van Van Vliet, ook de titel van de Zuid-Afrikaanse boekuitgave wijst daarop. Van Vliet behoort met deze poëzie tot de nieuw-romantische tendens in de literatuur van Vlaanderen.

In een essay ter gelegenheid van de Zuid-Afrikaanse bloemlezing en dus de introductie van de dichter in het Afrikaans bespreek ik voor Litnet de drie verzameluitgaven die door Van Vliet zelf zijn samengesteld (https://www.litnet.co.za/een-lang-vervloeien-in-een-strak-gebogen-glans-vlietend-uit-over-de-lyriek-van-eddy-van-vliet/). In De vierschaar. Gedichten 1962-1972 (1973), in Het grote verdriet (1974, 1981 = tweede vermeerderde druk), met teksten uit de periode 1971-1974, en in Gigantische dagen. Een keuze uit gedichten 1978-2001 ontwierp de schrijver een publieke postuur, een zelfbeeld door de afzonderlijk gebundelde gedichten in een ruimer perspectief aan te bieden. Mogelijk moeten we die auteursedities, behalve vanuit mercantiel oogpunt, als poëticaal-esthetische scharnierpunten zien: een poging om een cesuur te markeren, een dichterlijke periode al dan niet af te sluiten. Voor de Afrikaanse vertaling is ervoor geopteerd het latere (romantische) zelfbeeld te presenteren, met de nadruk op gedichten vanaf de jaren zeventig. De bloemlezer kiest volgens eigen principes, zoals een bepaalde poëticale voorkeur, en zal niet zoals een editeur getrouw aan de basistekst een wetenschappelijk onderbouwde geëditeerde tekstuitgave bezorgen voor een anderstalige lezer.

Na de poëzie van de Vlaamse schrijvers Herman de Coninck, Miriam Van hee en Leonard Nolens, recent Marc Tritsmans en Charlotte van den Broeck, is nu ook Eddy van Vliet in het Afrikaans vertaald. Het is opmerkelijk dat in het vertaalwerk – indien ik ook Hugo Claus’ Het verdriet van België mag meerekenen (Protea Boekhuis, Pretoria, 2020) – de klemtoon de afgelopen jaren sterk ligt op literatuur in Vlaanderen. Ook al verschijnt in oktober bij Imprimatur de lang verwachte bundel Liedjies (Liedjes) van de Nederlander Nachoem Wijnberg. En ik kijk nog steeds uit naar de gedichten van Paul Snoek en Peter Verhelst in het Afrikaans. Is in het werk van Vlaamse dichters een facet dat jou in het bijzonder aanspreekt, Daniel?

DH: Ek het in 1983 ’n jaar lank aan die Katholieke Universiteit van Leuven studeer en tydens die Antwerpse Boekebeurs twee Vlaamse skrywers sien optree: Herman de Coninck en Tom Lanoye. Dit was ook die eerste twee van wie ek ’n dekade later vertalings die lig laat sien het. 1983 was terselfdertyd die jaar waarin Hugo Claus se magnum opus Het verdriet van België verskyn het. Dit lyk asof ek op ’n manier gepredestineer is om voorkeur te gee aan Vlaamse skrywers. Die meeste van die vertalings is natuurlik gedoen in opdrag van Nicol Stassen van Protea Boekhuis. Ek het Marc Tritsmans se poësie in 2018 leer ken tydens my verblyf as vertaler-op-kampus aan die Universiteit Gent. Sy Het zingen van de wereld (2017) was die eerste digbundel wat ek in sy geheel vertaal het – as Die singende wêreld (Naledi, 2019). Daarvoor was jy dus regstreeks verantwoordelik, Yves!

YT: Benno Barnard schreef een monografie over Eddy van Vliet, opgenomen in de anthologiereeks Dichters van nu (Poëziecentrum, Gent, 1992), waarin vooral de familiegenealogie veel aandacht krijgt. Barnard stelt “de biografische persoon” centraal en wijst op de autobiografische inslag van de poëzie. Opmerkelijk is dat jij voor zeven vadergedichten opteerde en een moedergedicht. Verder valt op dat de bundel De binnenplaats samen met Glazen en De toekomstige dief ( = personificatie van de dood, naar een verhaal van Remco Campert) het sterkst vertegenwoordigd is. Ieder zes gedichten. Heeft het gegeven dat De binnenplaats is bekroond met de Belgische Staatsprijs voor Poëzie (1988) een rol gespeeld in de ruime selectie?

DH: Nee, my enigste kriteria is die vertaalbaarheid van ’n gedig en dat die verwysingsraamwerk (sosiale, geografiese en kulturele konteks) vir die Afrikaanse leser begryplik sal wees. Voetnote by ’n vertaalde gedig is vir my taboe en verklarende vertaaltruuks moet tot die minimum beperk word. Wanneer ek die vryheid het om ’n keuse te maak uit ’n digter se hele oeuvre, kies ek uiteraard die gedigte wat tot my spreek. Hierdie maatstawwe van vertaalbaarheid, toeganklikheid vir die doeltaalleser en die vertaler se persoonlike voorkeur verval uiteraard al drie wanneer ’n digbundel integraal vertaal word. In die geval van Marc Tritsmans se Het zingen van de wereld kon ek gelukkig self die betrokke bundel kies en al die gedigte daarin is myns insiens vertaalbaar, toeganklik en aantreklik vir die vertaler. Dit was nie heeltemal die geval met Charlotte van den Broeck se digdebuut Kameleon nie. Dit was ’n vertaalopdrag van Protea Boekhuis. Die gedigte is wel tematies interessant en stilisties vernuwend, maar spreek nie almal direk tot my nie. Dit is sekerlik te verwagte as ’n leeftydsgevorderde man uit Afrika die gedigte van ’n Europese tienermeisie aanpak. Maar vertalers is gelukkig ook verkleurmannetjies wat redelik vinnig in ’n vreemde milieu kan aanpas.

YT: Uit het lange gedicht Vader (2001) is dan weer niet gekozen, mogelijk uit respect voor de bundelcompositie, met name een lang gedicht waarin het lyrisch ik zich naar de vaderfiguur toeschrijft? Zoals je weet speelt (het ontbreken van) een vaderfiguur een cruciale rol in Van Vliets leven en werk. Zo is de anthologiebundel Het grote verdriet opgedragen aan de vader.

DH: Ja, ek het nie kans gesien om dié outobiografiese vers te fragmenteer nie. Van Vliet was tydens sy lewe ’n groot teenwoordigheid in die Vlaamse media. Sy lesers het op dié manier heelwat van sy persoonike lewe geweet en kon dus makliker aanklank by sy outobiografiese verse vind as wat die geval sal wees by Afrikaanse lesers. Ek haal in hierdie verband graag aan uit jou teks op die agterplat van Na die wette van Afskeid & Herfs: “Van Vliet is ’n romantiese genealoog wat diep put uit ’n veelbewoë lewe, maar hy bly weerbaar met ironie en selfrelativering.”  Die volgende vroeë gedig – “Pa” uit 1971 – gaan nie net oor ’n persoonlike ervaring nie, maar verwoord die universele opstand van seuns teenoor hul (afwesige) vaders. Met die ouderdom kom daar later aanvaarding en berusting:

 

in die huis

waar sy asem

jare ná sy afwesigheid nog ingeasem word

word die winters al hoe kouer

 

’n seun, wat ek

met stomp tande broer noem

het hy een nag nag gebrou

uit die goedkoopste wyn

toe hy antwerpen met rome verwar het

 

die dag toe sy beendere gebrand het

in ’n skaamtelose skede

was my jong hande nog bang vir die mes

 

noudat die oggend naderkom

waarop die swart omrande koerantberig my sal teister

is my mes verroes.

 

 

YT: Hier in de Karoo spraken we over de poëzie van Herman de Coninck en Leonard Nolens, Gerrit Komrij en Eddy van Vliet. Je hebt ze allen vertaald. Welke dichtkunst geniet jouw belangstelling en maakt het vertaaltechnisch gesproken makkelijker om te bewerken? Vormvaste gedichten of gedichten in de vrije versvorm, retorische zegging of parlandistische gedichten? Ik weet dat je Komrij’s poëzie een warm hart toedraagt. De dichtkunst van Van Vliet is verstechnisch gesproken helemaal anders opgevat.

DH: Komrij is ’n streng formele digter wat lettergrepe tel en vaste rymskemas volg. Dit maak talle van sy verse wesenlik onvertaalbaar, want die vorm is by Komrij ewe belangrik as die inhoud. Herman de Coninck skryf gedigte wat losser van vorm is, maar tog nog redelik formeel – ek dink aan sy ontspanne, spreektalige sonnette. Die grootste vertaaluitdaging by hom is die woordspel. Leonard Nolens se poësie is sintakties dikwels verwikkeld, ook omdat hy skynbaar willekeurig omgaan met voornaamwoorde (die eerste, tweede en derde persoon is by hom uitwisselbaar). Van die vier digters wat jy hier bo noem, het hy my die meeste kameleontiese bloed laat sweet.

Eddy van Vliet skryf stilisties ’n redelik ontspanne vers, met die nodige gedagtespronge en semantiese ellipse om die leser se aandag te behou. Hier is nog ’n vadergedig; daarin word meer verswyg as uitgespel:

 

Vakansie

 

Dit was warm. Dit was Spanje waar ek vir briewe wag

en telegramme wegstuur. My suster wat nie ’n suster is nie

van verdrinking red. ’n Pa wat my verfilm, te lank in beeld

volgens haar wat hom van my vervreem het.

 

Dit was Spanje waar ek die haat verduur

soos brandnetelvuur ná ’n woeste gespeel in die veld,

die rykdom ervaar soos ’n bediende

die skittering van die silwerservies.

 

Dit was met my rug op Franco se portret gedraai

dat ek in my gedagtes die volmaakte moord kon pleeg.

 

Dit is ’n rymlose vers, maar toe ek die eerste twee reëls van die tweede strofe vertaal, het daar spontaan ’n binnerym ontstaan (net soos hier!). ’n Puristiese vertaler sou dit probeer vermy, maar vir my was dit ’n vonds. Die reëls in Nederlands lui soos volg:

 

Het was Spanje waar ik de haat verdroeg

als netelkoorts na een wild spel in de velden.

 

Nie net rym “verduur” op “brandnetelvuur” in my vertaling nie, maar dit allitereer ook met “veld”. Ek dink darem Eddy sou my dit vergeef het.

 

YT: Lees je vooraleer de vertaling wordt aangevat, behalve het (volledig) dichtwerk, ook secundaire literatuur? Zoals in het geval Van Vliet: de monografie door Benno Barnard? Wat De Coninck betreft de brieven of beschouwende teksten? Is dit behulpzaam of veeleer een belemmering om ongehinderd te lezen en vrijuit te kunnen vertalen?

 

DH: Ek doen nie spesiaal navorsing oor digters voor ek hulle begin vertaal nie. Benno Barnard se monografie het wel belangrike lewensbesondere verskaf wat heelwat gedigte vir my opgeklaar het. Ek het De Coninck se gedigte vertaal nog voordat sy (geselekteerde) briewe of Thomas Eyskens se biografie oor hom gepubliseer is. Ek het toe reeds sy opstelle oor die poësie geken – miskien kon dit my onbewustelik beïnvloed het. Op die digkuns reageer ek in die eerste plek as ’n digter, nie as ’n akademikus of kritikus nie.

Yves, as jy my dit sal vergun, wil ek graag my vertaling van Eddy van Vliet se gedig oor Tomas Tranströmer hier aanhaal. Ek doen dit spesiaal vir De Waal Venter wat dié Sweedse Nobelpryswenner in Afrikaans vertaal het:

 

Hommage aan Tomas Tranströmer in die Victoriatheater (Malmö)

 

’n Stampvol saal. ’n Kitaar weerkaats

die teaterlig op sy gesig, sprakeloos

buiten sy oë: toneelgordyne

waaragter woorde salto-mortales repeteer

maar nooit die verhoog betree nie.

 

Hy sit in die eerste ry en luister

na sy stem wat ons meertalig

tot lewe wek. Een hand lê kragteloos

in sy skoot, terwyl die ander een dapper

met applous en klavierpartiture veg.

 

Sy vrou, met ’n glimlag asof dit elke dag

aarbeityd is, verbreek met die rooi glans

van haar soen die was: ’n domonnosel

bloedklont het sy lippe verseël.

Sag spel sy die engeletaal wat hy ooit geuiter het.

 

Alle dank, Daniel, voor jouw onverdroten vertaalwerk uit het Nederlands en de openhartige reactie op mijn vragen en beschouwingen. Ik kijk uit naar nieuwe projecten die het literaire grensverkeer tussen Afrikaans en Nederlands verder zullen bevorderen.

 

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Onderhoud met Daniel Hugo: Na die wette van Afskeid & Herfs”

  1. Besondere dank aan jou Daniel, vir hierdie gedig. Dit herinner in ‘n mate aan Tranströmer se gedig “Balakirev se droom” waar Balakirev in ‘n konsertsaal sit en insluimer.

    In Van Vliet se gedig word verwys na Tranströmer se klavierspel met sy linkerhand (regs verlam indertyd weens ‘n bloedklont-besering op die brein). ‘n Paar Sweedse komponiste het spesiaal linkerhand-klavierstukke vir Tranströmer geskryf.

    Die kort gedig van Tranströmer uit “Alls keer om” hieronder, is ter sake.

    Terug na 1990.

    Gedroom ek ry oor ‘n honderd myl tevergeefs.
    Dan vergroot alles. Mossies so groot soos henne
    het so hard gesing dat my ore toegeslaan het.
    Gedroom ek teken klavierklawers
    op die kombuistafel. Ek het op hulle gespeel, geluidloos.
    Die bure het kom luister.

Los kommentaar

 

*