“Ik ben een lezer met de buien van geestdrift en verontwaardiging van een lezer; ik ben geen voorlichter, en ik zou het niet willen zijn.” – du Perron
Versindaba publiceert onregelmatig het ‘Cahier van een lezer’. Op de letterkundige brug tussen Afrikaans en Nederlands deel ik parafernalia in de geest van de gelijknamige kleinschalige boekprojecten van de Nederlandse schrijver E. du Perron. Het Cahier, waarvan later een boekpublicatie verschijnt bij Naledi, is een neerslag van leeservaringen op het gebied van Nederlandse en Afrikaanse letteren.
#4 Met dit fragment voeg ik een addendum toe aan Breyvier. Over taal, burgerschap en Breytenbach (2023), de essaybundel die een paar weken geleden verscheen en die de neerslag is van een paar onderzoeklijnen met betrekking tot de beeldvorming van Breyten Breytenbach in de Lage Landen. Over het schrijversoptreden eind jaren zestig en begin jaren zeventig is al eerder geschreven, door mijzelf en door anderen. Toch valt er altijd nog wel iets toe te voegen.
De schilder Breytenbach had in 1964 in de Arnhemse Galerie onder de schuilnaam Juan Breyten zijn eerste publieke optreden in Nederland. De galeriehouder Felix Valk ontdekte naar verluidt in 1963 zijn beeldend werk in een kunstgalerie in Parijs. Datzelfde jaar exposeerde hij voor het eerst bij de modernistische Galerie Espace van Eva Bendien en Rutger Noordhoek Hegt op de Keizersgracht in Amsterdam. Ook de schrijver Breytenbach, vanaf 1961 in Parijs verblijvend, kreeg zoals bekend al vroeg aandacht in de Lage Landen, kort na zijn Zuid-Afrikaans dubbeldebuut in 1964 met Die ysterkoei moet sweet en Katastrofes. Erik van den Bergh beschreef in het overzichtswerk Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980 (red. Rosemarie Buikeman en Maaike Meijer, Sdu, Den Haag, 2003) de kritische receptie, met vermelding van de exposities in Arnhem en Amsterdam en van de Reina Prinsen Geerligsprijs in 1968. Voor de onderscheiding, genoemd naar een Nederlandse verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog, kwamen Zuid-Afrikaanse auteurs in aanmerking die de leeftijdsgrens van dertig jaar nog niet hadden bereikt. De jury die Breytenbach bekroonde voor Die huis van die dowe bestond uit de Zuid-Afrikaanse critici Ernst Lindenberg, W.E.G. Louw en D.J. Opperman. Van den Bergh noteert in zijn opstel dat de schrijver behalve de eer ook een geldbedrag van tweehonderd gulden in ontvangst nam. In het begin van de jaren zeventig, toen bij Meulenhoff en in de Poetry International Serie de bundel Skryt. Om ’n sinkende skip blou te verf (1972) was verschenen, sleepte Breytenbach voor de liefdesgedichten in Lotus de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs in de wacht.
Breyten in Yang Kahier
Wat inmiddels is toegevoegd aan het panoramisch-bibliografisch overzicht van Breytenbach in Nederland, is de vroege aandacht in België voor diens schrijfwerk. In het Gentse tijdschrift Yang Kahier. Werkschrift voor literatuur (nummer 22-23) publiceerde Breytenbach in 1968 een eerste prozatekst – een reactie op een bijdrage van Coenie Rudoph naar aanleiding van het interview dat de vorige week overleden uitgever Julien Weverbergh in het dagblad Vooruit (27 oktober 1966) publiceerde. In het themanummer ‘Antwoord aan Zuid-Afrika’ van Yang Kahier, samengesteld door de Antwerpse journalist Fernand Auwera, staat van Breytenbach de oproep ‘Aan die Hollandse en Vlaamse skrywers’. Vooral het maatschappelijk engagement en diens deelname aan de struggle tegen het apartheidsregime in Zuid-Afrika krijgen aandacht. Wat ik kan aanvullen is dat het eerste optreden van Breytenbach in België vermoedelijk plaatshad in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel (op 28 september 1968). In ieder geval heeft Yang al in 1968 twee gedichten van Breytenbach uitgegeven, dus eerder dan de introductie van de poëzie in Raster (met in drie jaargangen in totaal negenentwintig gedichten en een prozatekst). Aan Breytenbach en Yang Kahier wijd ik een impromptu in de opstellenbundel Kwintet. Literaire dialogen tussen Afrikaans en Nederlands (2023). De kritische teksten in Yang en de politieke stellingname neem ik daarin onder de loep. In het boek belicht ik bij uitbreiding tal van connecties tussen Breytenbach en de Lage Landen. Het literaire debuut van Breytenbach in Nederland, één jaar vóór de eerste gedichten in Raster onder de redactie van H.C. ten Berge, moet dus iets later worden gesitueerd dan zijn literaire entree in Vlaanderen. Niets berust op toeval. Zoals Breytenbach mij deze week liet weten, naar aanleiding van een artikel in Die Burger, is dat hij aan moederskant (Cloete) zeer waarschijnlijk van Vlaamse origine is. Het hoeft dus geen verbazing te wekken, ook al is dit bepaald door contacten en omstandigheden, dat Breytenbach al eerder dan in Nederland voet aan wal kreeg in België. Het is precies deze kritische receptie van Breytens werk in Vlaanderen die in Kwintet wordt toegevoegd aan de al gedetailleerd beschreven Nederlandse receptiegeschiedenis van het literaire oeuvre.
BIBEB
Wanneer ik mij concentreer op de beeldvorming van Breytenbach eind jaren zestig in de Lage Landen, moet ik melding maken van het korte onderhoud dat Bibeb, interviewernaam van Elisabeth Maria Lampe-Soutberg, voor Vrij Nederland (1968) afnam van Juan Breyten, “lang, mager, baard”. Roos Menkhorst en Adinda Akkermans hebben de summiere monografie over Bibeb de titel gegeven Bibeb. Biechtmoeder van Nederland (Querido Fosfor, Amsterdam/Antwerpen, 2017). Er is een documentaire van de VPRO te beluisteren over Bibeb, een geboren interviewster die zelf het openbare forum schuwde maar wel met zo een zeshonderd schrijvers, binnen- en buitenlandse kunstenaars, acteurs, hoogleraren en politici gesprekken aanging voor het links georiënteerde weekblad (https://www.vpro.nl/nooitmeerslapen/speel~RBX_VPRO_12948171~bibeb-de-interviewster-die-zelf-een-mysterie-bleef~.html). Tot het heterogene gezelschap behoorden Brigitte Bardot, Jeroen Brouwers, Roald Dahl, Martin Luther King, Conny Palmen, Pablo Picasso, Andy Warhol en vele anderen. Een van de eerste gesprekspartners van Bibeb was Breytenbach. Het gesprek dateert van 1969 en is gebundeld in De mens is een ramp voor de wereld (Van Gennep, Amsterdam, pp. 138-149). Het interview gaat behalve over schilderkunstige en literaire activiteiten van de dertigjarige Breytenbach over de politieke kijk op Apartheid-Zuid-Afrika en “de taal van minister Vorster”. Kort tevoren, mogelijk de aanleiding voor het interview, was er de bekroning van Die huis van die dowe met de eerder vermelde Reina Prinsen Geerligsprijs in 1968.
Deel 3 van ‘Cahier van een lezer’, met méér parafernalia over Breytenbach, verschijnt op deze blog aan het einde van de week.
