
Yves T’Sjoen, kopiereg Hilde Christiaens, UGent
“Ik ben een lezer met de buien van geestdrift en verontwaardiging van een lezer; ik ben geen voorlichter, en ik zou het niet willen zijn.” – du Perron
Versindaba publiceert onregelmatig het ‘Cahier van een lezer’. Op de letterkundige brug tussen Afrikaans en Nederlands deel ik parafernalia in de geest van de gelijknamige kleinschalige boekprojecten van de Nederlandse schrijver E. du Perron. Het Cahier, waarvan later een boekpublicatie verschijnt bij Naledi, is een neerslag van leeservaringen op het gebied van Nederlandse en Afrikaanse letteren.
#9 Hoogst vermakelijk is een filmpje dat 19 april jongstleden door het literair weblog Tzum online is geplaatst (met dank aan Coen Peppelenbos). De Nederlandse schrijvers Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans, de uitgever Geert Lubberhuizen (De Bezige Bij) en de hoogleraar en letterkundige H.A. Gomperts zitten aan een met slierten tabaksrook versluierde tafel (https://www.tzum.info/2023/04/filmpje-hermans-en-mulisch-over-de-literaire-kritiek/). Gomperts, jarenlang gezaghebbend boekbespreker voor bladen zoals Het Parool en Tirade, modereert voor de Nederlandse omroep VPRO het gesprek over literaire kritiek. De opname dateert van 1981 en de televisie-uitzending is geregisseerd door onder anderen Wim de Bie, vorige maand overleden. Ik breng met dit stukje die formidabel geestige De Bie, sidekick van Kees van Kooten, in dankbare herinnering.
Nog voor hij het woord krijgt, wanneer Gomperts de krijtlijnen uitzet van het televisionele gehakketak, neemt een sikkeneurige Hermans het woord. Hij is het niet eens met de afspraak dat alle sprekers evenveel spreektijd moeten krijgen over het onderwerp. Dat critici en auteurs meningen verkondigen over (de stand van) de literatuurkritiek is evident, maar de uitgever moet zijn plaats kennen. Hij kán niet evenredig aan het woord komen. De uitgever produceert het boek en maakt advertenties, hij stelt zich nederig op tegenover auteur en tekst. De uitgever hoort zich zelfs niet uit te spreken over de literatuurkritiek, al helemaal niet in het openbare domein, zo stelt een bijwijlen irritante maar ook speels-spitante Hermans. De handelaar in boeken dient “op de achtergrond te blijven, aan de kassa. Dat is verreweg de beste plek van het hele boekenbedrijf. Hij hoort veel reclame te maken voor de auteurs die hij publiceert, maar niet voor zichzelf”. De zachtmoedige Gomperts, die ondanks vergeefse pogingen er niet in slaagt Hermans in het gareel te houden, is het hiermee niet eens: ook uitgever Lubberhuizen mag wel een mening hebben. De uitgever is een commerçant en brengt boeken op de markt. Hij moet zijn plaats kennen, herhaalt Hermans. Ook al heeft hij “een wit voetje” voor Lubberhuizen: het is aan de schrijvers om over boekrecensies te spreken. Dat een uitgever sturend optreedt, dat hij zich mengt in het kritisch literatuurbedrijf en critici voor zich poogt te winnen, daarover zijn de heren van stand het wel roerend eens. Ook over de cultuur van en de noodzaak aan professionele vorming van literaire critici.
Voor een Afrikaanse letterkundige habitat kan dat gesprek enige relevantie hebben, zo bedenk ik, zeker wanneer regels van elementair fatsoen en professionele integriteit met de voeten worden getreden. Waarover ik onlangs nog schreef, gealarmeerd door enkele berichten (https://voertaal.nu/een-harde-kei-in-de-fatsoensvijver-over-de-dynamiek-van-het-literaire-gesprek/). Amusant kijkstuk, dat tv-debat tussen literaire tenoren, nog steeds, voor critici en uitgevers. Ook in de Afrikaanse cultuurgemeenschap kan een discussie over dit onderwerp vandaag interessant zijn. Er zijn nu eenmaal uitgevers die uitsluitend prijzende kritieken verwachten, goedkope en welwillende advertorials voor hun met zorg gefabriceerde cultuurproducten. Het is niet aan de uitgever om te oordelen of een criticus goed of lamentabel werk aflevert, eventueel afdoende de roman of het dichtwerk aanprijst. Vele berichten die ik hieromtrent ontvang naar aanleiding van mijn stuk over “de fatsoensvijver”, van auteurs en journalisten, recensenten, academici en uitgevers, wijzen daar op. Ik hoorde de criticus Jean Meiring nog op een digitaal congres van de Afrikaanse Letterkunde Vereniging zeggen dat in het Afrikaans geen academische opleiding bestaat voor literaire critici, wel voor literatuurwetenschappers. Ik heb die uitspraak onthouden als een belangrijk aandachtspunt. Ook de recente sluiting van de Protea Boekwinkel in Stellenbosch – wat op nogal wat ongeloof en onbegrip stuit op sociale media – kan deel uitmaken van een discussieforum over (ontwikkelingen in) het boekbedrijf in het Afrikaans, over distributie, promotie en receptie van literatuur. Een ALV-symposium zou over dat thema, eventueel in vergelijking met Nederland en Vlaanderen, relevante bevindingen kunnen presenteren en een boeiend gesprek opleveren met diverse actoren in het literatuurbedrijf. Met Gomperts, Hermans, Mulisch en Lubberhuizen indachtig.
Wie het schoentje past trekke het aan, zoals ik recent op LitNet/Voertaal optekende.

V.l.n.r.: W.F. Hermans, de Nederlandse ambassadeur J. van der Valk, Lina Spies en Koos Human. Foto uit: Koos Human, ‘n Lewe met boeke, Kaapstad 2006. Overgenomen uit: De Boekenwereld (jaargang 28, 2011-2012, Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren)
#10 Lezen in de breedte
Over kritiek gesproken. Een specifiek soort beschouwerspraktijk heeft al langer mijn aandacht. Dichters zijn ook lezers. Sommigen zijn actief als criticus of publiceren bezijden het dichterlijk oeuvre essays en ander beschouwend proza. Naast de lyriek construeert de auteur dan een schaduwwerk waarin wordt gereflecteerd over poëzie, van zichzelf en van anderen. Terzelfdertijd zijn die kritische notities over de lyriek van andere schrijvers natuurlijk ook bespiegelingen over het eigen werk. De lezer die een schrijver is, blijft ook de schrijver die op een particuliere manier wíl worden gelezen. Over dergelijke strategieën bestaat cultuur- en literatuursociologisch onderzoek waarin wordt gewerkt met concepten of instrumenten zoals “auto-image”, postuur en imago.
In de creatieve literatuurproductie, zoals in de lyriek, spreekt wel eens een andere stem dan in geschriften óver poëzie. Esthetische opvattingen in metapoëtische teksten en die dus spreken óver de literatuur van collega-dichters hoeven niet samen te vallen met inzichten die we uit de primaire literatuur van een dichter distilleren. In expliciete beschouwingen, vroeger aangeduid als “tekstexterne” poëtica, klinkt soms een ietwat ander geluid dan wat we impliciet in de lyriek lezen. Niet dat poëticale denkbeelden solide zijn en zich makkelijk laten ontrafelen in de lezing van gedichten. De onderzoeker is namelijk vooral een recipiënt die betekenissen geeft. Iedereen weet dat een poëtica geen hechte en onveranderlijke set van ideeën is: een poëtica groeit mee met een oeuvre, of andersom. Een poëticaal denken is onderhevig aan lectuur, invloeden, omstandigheden, leeftijd enzovoorts. Meningen laten zich niet eenduidig omschrijven. Wanneer een dichter tegelijk ook recensent of literair essayist is, heb je meteen twee communicerende vaten: creatieve en beschouwende teksten, waarbij dat beschouwend proza natuurlijk ook weer creatief is.
Wie vergelijkend leest, met inachtneming van de kritische arbeid van een dichter, leest soms uiteenlopende verhalen. Omdat nogal wat dichters zich in expliciete termen uitspreken en particuliere leeswijzen etaleren in essaybundels, in kritieken in dag- en weekbladen, op internetsites of bijvoorbeeld in interviews (of verder in literaire jury’s, op het podium waarin gedichten worden voorgelezen en zijn voorzien van al dan niet spontane persoonlijke commentaren), is het verleidelijk om dat deel van een oeuvre mee te nemen in poëtica-onderzoek. De neerlandicus Wiljan van den Akker heeft bijna vier decennia geleden voor deze vergelijkende studie naar poëticale spanningsbogen de bakens uitgezet in (de handelseditie van) zijn proefschrift Een dichter schreit niet. Aspecten van M. Nijhoffs versexterne poëtica (1985).
Wat mij in het bijzonder interesseert, hier op de brug tussen Afrikaanse en Nederlandse letterkunde, is hoe Nederlandstalige dichters-critici zich in essays en andere bespiegelingen uitspreken over werk van Zuid-Afrikaanse (Afrikaanstalige) schrijvers. Menig auteur in Nederland en Vlaanderen heeft zijn of haar appreciatie uitgesproken voor dichtwerk, in de hedendaagse literatuur zoals van Breytenbach, Kamfer, Krog, Stockenström en Van Niekerk. Zuid-Afrikanen maken deel uit van de “Wall of Fame” van schrijvers in de Lage Landen. In hun lectuur van lyriek in een zustertaal van het Nederlands bekennen zij kleur over de eigen zienswijze op literatuur en taal. Via de kritische omweg van de literatuurbeschouwing spreken deze schrijvers kortom over eigen opvattingen, niet alleen over werk van Zuid-Afrikaanse auteurs. Er is een boek te schrijven over dergelijke trajecten in de lectuur en de explicitering ervan in beschouwingen van Nederlandse en Vlaamse dichters over Afrikaanse letteren. Ik heb er zelf meermaals over geschreven, onder meer in mijn boek Rakelings, recent in Breyvier en binnenkort in Kwintet. Op de brug tussen Afrikaans en Nederlands is zoals bekend veel te ontdekken en te analyseren. Het vergelijkend letterkundig onderzoek is er op gericht. Soms zijn connecties niet voor de hand liggend. Neem nu Willem Jan Ottens waardering voor de persona poetica Elisabeth Eybers (zie volgend deel van dit Cahier), of de bijdragen van H.C. ten Berge over Breyten Breytenbach. In Kwintet wordt de waardering van Ten Berge voor het werk van Breytenbach grondig tegen het licht gehouden. Laat ik mij in de vijfde aflevering van dit Cahier komende week richten op Anneke Brassinga’s poëticale bundel Grondstoffen (2015) en de tekst die zij hierin opneemt over twee gedichten van Eybers.

Yves, iets wat net so oneties is en wat my warm maak onder die kraag is digters wat resensente en uitgewers of, in my geval, inhoudsbestuurders, dreig met vervolging wanneer daar ‘n ongunstige resensie van hul werk verskyn. As dit nie werk nie, sal die digter dikwels onder pseudonieme sy eie werk aanprys. Soms word daar selfs op ander platforms besprekings van die werk aangebied onder bedenklike name wat glo “vakspesialiste van wêreldformaat” is, maar nêrens op die Internet opgespoor kan word nie. Selfs oppervlakkige forensiese teksontledings toon dan verbysterende ooreenkomste in styl met die digter wat hom-/haarself verontregvoel. En dan kla ons oor ‘n korrupte regering …