
“Ik ben een lezer met de buien van geestdrift en verontwaardiging van een lezer; ik ben geen voorlichter, en ik zou het niet willen zijn.” – du Perron
Versindaba publiceert onregelmatig het ‘Cahier van een lezer’. Op de letterkundige brug tussen Zuid-Afrika en de Lage Landen deel ik parafernalia in de geest van de gelijknamige kleinschalige boekprojecten van de Nederlandse schrijver E. du Perron. Het Cahier, waarvan later een boekpublicatie verschijnt bij Naledi, is een neerslag van leeservaringen op het gebied van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse letteren.
# 21
Ik ging naar Stellenbosch om de brug te zien
De literaire brug die het Afrikaans en het Nederlands verbindt is een contactmetafoor voor een lange geschiedenis van uitwisseling van teksten. Al decennia voor het Afrikaans een ambtelijk statuut verkreeg in de Unie van Suid-Afrika, is sprake van een productieve cultuurtransmissie tussen beide taalgebieden. Velerlei netwerken tussen Zuid-Afrikaanse, Nederlandse en Vlaamse schrijvers hebben bijgedragen tot het intercultureel verkeer. Vóór 1925 (toen het Afrikaans in de plaats kwam van het Nederlands als officiële bestuurstaal), in de loop van de negentiende eeuw ten tijde van de Britse kolonie en de Boerenrepublieken, waren er culturele contacten tussen de Lage Landen en de Afrikaners. Van een Afrikaans literair systeem was in die tijd nog geen sprake. Pas vanaf het begin van de twintigste eeuw worden schrijvers genoemd, zoals Jan F.E. Celliers, C.J. Langenhoven, C. Louis Leipoldt, E. Marais en Totius, die geboekstaafd staan als pioniers van de Afrikaanse literatuur. Het omvangrijke Geen land voor dromen. Geschiedenis van de Zuid-Afrikaanse Nederlandse literatuur (2023) van Eep Francken en Olf Praamstra presenteert een letterkundig panorama van de Nederlandse literatuur aan de zuidpunt van Afrika van de zeventiende eeuw tot 2015.
Institutionele sleutelfiguren
Wanneer daadwerkelijk sprake is van een Afrikaanse literatuur – vanaf begin twintigste eeuw – worden romans en dichtbundels geproduceerd die aandacht krijgen in beide talen. Later wordt steeds meer vertaald. Teksten uit het andere cultuurgebied circuleren en functioneren in het literaire systeem van het Afrikaans respectievelijk het Nederlands. Het zal interessant zijn, ook complementair ten opzichte van bestaande afzonderlijke Nederlandse en Afrikaanse literatuurgeschiedenissen, een studie voor te bereiden over een geschiedenis van contacten tussen beide literaturen. Deze contactgeschiedenis focust niet zoals gebruikelijk uitsluitend op schrijvers, teksten en genres, maar op de cultuurtransmissie en op sleutelfiguren die het literaire grensverkeer mogelijk hebben gemaakt. Het betekent dat naast schrijvers ook vertalers en uitgeverijen, redacteurs en tijdschriften, academici, vertaalfondsen en andere culturele actoren en instanties een plek moeten krijgen in een dergelijke contactgeschiedenis. Verbindingen tussen literaire circuits en culturen verdienen een institutioneel ruimere benadering dan een klassieke literaire historiografie van een nationaal circuit of een taalgebied.
Een contactgeschiedenis
Het research fellowship bij Stellenbosch Institute for Advanced Study van 15 januari tot 14 juni 2024 biedt de gelegenheid om theoretische en methodologische uitgangspunten te formuleren en een literatuur-historische overzichtsstudie te ontwerpen die, aanvullend ten opzichte van literatuurgeschiedenissen van het Afrikaans (o.a. Antonissen, Cloete, Kannemeyer, Van Coller) respectievelijk het Nederlands (o.a. Anbeek, Bel, Brems), interacties laat zien en aandacht heeft voor kritische en productieve aandacht in beide richtingen. Een dergelijk onderzoeksproject is vanzelfsprekend een voorwerp van teamwork. Gevalstudies, zoals gebundeld in Over grenzen/Oor grense. Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie/’n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie (red. Ronel Foster, Yves T’Sjoen en Thomas Vaessens, 2009) en Toenadering. Literair grensverkeer tussen Afrikaans en Nederlands (red. Ronel Foster en Yves T’Sjoen, 2012), zijn de basis voor dat bredere opzet. Ook die bundels bevatten bijdragen van medewerkers in Zuid-Afrika, de Lage Landen en elders. In mijn boek Rakelings (2017) en later in de complementaire studieboeken Kwintet. Literaire dialogen tussen Afrikaans en Nederlands (2023) en Breyvier. Over taal, burgerschap en Breytenbach (2023) zijn méér casestudies gepresenteerd, vooral over de receptie en de culturele netwerken van Breytenbach in Nederland en Vlaanderen. Het vergelijkend onderzoeksterrein is niettemin nog altijd vrijwel braakliggend. Een literatuur-historische contactgeschiedenis zal, voortbouwend op eerder gepresenteerde en nog te ontginnen gevalstudies, een overzicht bieden van het grensverleggend literair verkeer tussen Afrikaans en Nederlands. Het boek-in-wording Twee overzijden. Kronieken en tweespraken (Academia Press, 2024) gaat verder op dat ingeslagen pad.
Afrikaans en Nederlandse literatuur, een geschiedenis
Het valt misschien te overwegen naar analogie met M.A. Schenkeveld-Van der Dussens Nederlandse Literatuur, een geschiedenis (1993) een werk samen te stellen waarbij aan de hand van afzonderlijke literatuurhistorische bijdragen en uitgaande van specifieke data wordt ingegaan op tekstuitgaven, literaire polemiek en/of (beeldbepalende) gebeurtenissen in de geschiedenis van de Nederlandse letteren. In het panorama dat mij thans voor ogen staat, wordt de schijnwerper gericht op contactmomenten die belangwekkend zijn in de literaire dialoog tussen Afrikaans en Nederlands. Hoofdstukken zullen literair-anekdotische realia belichten die de dynamische interactie tussen twee literaire systemen en taalgebieden documenteren. Hiervoor kan bijvoorbeeld worden gedacht aan diverse onderwerpen die telkens aanzetten zijn voor een diepgravende analyse. Laat ik het wat concreter voorstellen. Het valt naast vele andere literaire verbintenissen te overwegen bijdragen te wijden aan concrete uitingen van “cohabitation”, zoals (1) Gustav Preller, Lodewijk van Deyssel en de opvattingen van Tachtig in Afrikaans, (2) Albert Verweys essays over Totius en C. Louis Leipoldt, (3) CM van den Heever over Gezelle, Van de Woestijne en Streuvels, (4) het tijdschrift Standpunte onder de redactie van NP van Wyk Louw, DJ Opperman en Karel Jonckheere, (5) de criticus J. Greshoff (ps. Kees Konyn) over Afrikaanse literatuur, (6) NP van Wyk Louws academische positie van leerstoelhouder aan de gemeentelijke universiteit van Amsterdam (1950-1958), (7) Ernst van Heerden als promovendus in Amsterdam en in Gent, (8) Elisabeth Eybers in het fonds van uitgeverij Van Oorschot, (9) Breyten Breytenbach op Poetry International in Rotterdam, (10) Adriaan van Dis als vertaler van Skryt. Om ’n sinkende skip blou te verf én H.C. ten Berge als inleider van het werk van Breytenbach in Nederland, (11) Herman de Coninck en Antjie Krogs ‘Brief uit Kaapstad’ in het Nieuw Wereldtijdschrift, (12) Gerrit Komrij als vertaler en bloemlezer van Afrikaanse poëzie, (13) Antjie Krog en de Gouden Ganzenveer, (14) Daniel Hugo en Het verdriet van België van Hugo Claus, (15) Alfred Schaffer vertaalt Ronelda Kamfer. Enzovoorts. Allemaal momenten van toenadering en raakpunten– deze vijftien onderwerpen zijn niet meer dan een worp uit de losse pols en werden in mindere of meerdere mate al eerder belicht – die uitnodigen over connecties van of convergenties tussen Afrikaanse en Nederlandse literatuur te schrijven. De literaire systemen van het Afrikaans en het Nederlands van de twintigste en eenentwintigste eeuw zijn cultureel en maatschappelik anders ingebedde literaire culturen die desondanks een interessante contactgeschiedenis met elkaar delen.
‘Aandacht voor verwante maar verschillend functionerende literatuur’
In een congrestekst tekende ik eerder al het volgende op. Voor het Nederlandse taalgebied is de voorbije jaren de negendelige reeks Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur verschenen, met hier en daar een verwijzing naar het Afrikaans en Zuid-Afrika. In Ongeziene blikken. Nabeschouwingen bij de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, de verantwoording van de hoofdredacteurs Arie-Jan Gelderblom en Anne Marie Musschoot, wordt gepreciseerd dat “geen speciale aandacht [wordt] geschonken aan verwante, maar verschillend functionerende literaire systemen buiten én binnen het taalgebied, zoals […] de literatuur in het Afrikaans”. Verder staat er dat de Afrikaanse literatuur en andere literaire systemen “alleen ter sprake komen als er een nauwe aanraking bestaat met de dominante literaire systemen binnen het [Nederlandse] taalgebied”. Onder meer over de literatuur van het Afrikaans wordt onderstreept dat ze “over specifieke, eigen literatuurgeschiedenissen en eigen tradities van wetenschappelijke bestudering” beschikt. Behalve korte verwijzingen in de literaire historiografie van het Afrikaanse respectievelijk het Nederlandse taalgebied is geen overzichtelijke literatuurhistorie beschikbaar waarin de literaire cultuur van beide taalgebieden vanuit comparatief perspectief aandacht krijgt. Doelstelling van het literatuur-historisch project dat ik voorstel, is wat zijdelings wordt aangestipt ter afbakening van het werkterrein verschuift naar het centrum van de (intercontinentale) wetenschappelijke aandacht.
Modellen
Er valt dus iets voor te zeggen zo’n honderdvijftig casussen vast te leggen, zodat een letterkundige contactgeschiedenis van Afrikaans en Nederlands aan de hand van gedocumenteerde screenshots tot stand komt. Een van de modellen die ten grondslag ligt aan de Geschiedenis van Nederlandse Literatuur en bijvoorbeeld Nederlandse literatuur, een geschiedenis is de opstellenbundel A New History of French Literature (Denis Hollier (red.), 1989). Ik ben ervan overtuigd dat de beoogde Afrikaans-Nederlandse literatuurgeschiedenis naar analogie met deze modellen kan worden geconcipieerd. Over het concept van een aanvullende en inter- of trans-systemische literatuurgeschiedenis heb ik uitgangspunten eerder geformuleerd in een keynote op een congres van de Afrikaanse Letterkunde Vereniging: ‘Grensverleggende studie van cultuurtransmissie. Voorstel voor een gecombineerde literatuurgeschiedenis van Afrikaans en Nederlands’ (ALV-congres, Nelson Mandela University, 16 september 2021).
