
Onderhoud in drie dele met Yves T’Sjoen oor sy boek in voorbereiding Twee overzijden
Marlies Taljard:
Yves, baie welkom weer eens op Versindaba en dankie dat jy tyd maak om oor jou nuwe publikasie en jou navorsing te gesels.
In 2023 het twee belangrike bundels van jou verskyn, naamlik die opstelbundel Kwintet. Literaire dialogen tussen Afrikaans en Nederlands (W∞lf, Antwerpen) en die essaybundel Breyvier. Over taal, burgerschap en Breytenbach (Skribis, Gent). Pas het ons op Versindaba jou nuutste bundel aangekondig: Twee overzijden (Academia Press, 2024).
Volgens die agterbladteks is Twee overzijden die laaste deel van ʼn drieluik met gevallestudies oor die grense van taal en kultuur met Afrikaans en Nederlands as fokuspunt. Op welke wyse vul hierdie drie bundels mekaar aan?
Yves T’Sjoen:
Veel dank voor de interesse, Marlies. Eveneens voor de kritische aandacht die je eerder besteedde aan mijn boek Breyvier op Versindaba (https://versindaba.co.za/2023/05/19/resensie-breyvier-over-taal-burgerschap-en-breytenbach-yves-tsjoen/).
Nadat ik samen met mijn intussen afgetreden collega Prof Ronel Foster (Universiteit Stellenbosch) de boeken met gevalstudies Over grenzen / Oor grense. Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie / ’n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poesie (Acco, 2009) en Toenadering. Literair grensverkeer tussen Afrikaans en Nederlands (Acco, 2012) samenstelde, geruime tijd geleden, werkte ik de afgelopen jaren verder over culturele cross-overs tussen Afrikaans en Nederlands. De boeken in het wetenschappelijke uitgeverijfonds van Acco, met bijdragen van Zuid-Afrikaanse, Nederlandse, Belgische en Poolse navorsers, bundelen de resultaten van onderzoek over de dialoog of het prismatische grensverkeer tussen twee literaire polysystemen, respectievelijk van de Lage Landen en Zuid-Afrika (Afrikaans). Voor Kwintet maakte ik een selectie uit een corpus van academische publicaties – een selectie, zo niet was het boek te omvangrijk geworden – aangevuld met journalistieke-essayistische bijdragen (“impromptu’s”). In Breyvier, door mij een satellietboek genoemd dat complementair is voor Kwintet, verken ik onderzoekssporen – dat wil zeggen: uitgewerkte annotaties bij academische opstellen. Het werkschrift biedt de lezer (ook de belangstellende student) aanzetten voor voortgezet onderzoek. De centrale schrijversfiguur in beide recente publicaties is Breyten Breytenbach, de rode draad de beeldvorming van Breytenbachs leven en werk in de Lage Landen. De voorstelling van Breytenbach in het Nederlandse taalgebied, trouwens ook van Antjie Krog en andere Zuid-Afrikaanse schrijvers, is per definitie verschillend van de kritische ontvangst in Zuid-Afrika (Afrikaans) of in andere taalgebieden. Dat spanningsgebied – divergente receptiegeschiedenissen – tussen twee taalgebieden en hun kritische praktijken, overigens verschillend cultureel en maatschappelijk ingebed en deel uitmakend van een particuliere literaire cultuur, met andere esthetische referentiekaders en uiteenlopende verwachtingen (omtrent literatuur), probeer ik te laten zien in bijdragen in beide recente boekuitgaven. Niet alleen de publieke persoonlijkheid van de Zuid-Afrikaanse en Franse schrijver Breyten Breytenbach komt aan bod. Andere Zuid-Afrikaanse, ook Nederlandse én Vlaamse schrijvers, onder wie Elisabeth Eybers, Joan Hambidge, Ronelda Kamfer, Antjie Krog en Ernst van Heerden respectievelijk Remco Campert, Hugo Claus, Herman de Coninck, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Gerrit Kouwenaar, Lucebert, Alfred Schaffer, H.C. Ten Berge, Adriaan van Dis, Eddy van Vliet en Henk van Woerden passeren de revue.
De publieke resonantie van Breytenbachs en Krogs werk in de Lage Landen is ruim en veelzijdig, zowel in de intensiteit van de kritische aandacht als in de tijd (zie verder in dit vraaggesprek). Aan de dertien korte hoofdstukken (getiteld “Marginalia”) gebundeld in Breyvier, aansluitend bij de meer diepgravende opstellen in delen 1 en 2 van Kwintet, voeg ik in het sluitstuk Twee overzijden addenda toe. Onderzoek is immers nooit afgerond: telkens zijn er inzichten, ook de vondst en de verwerking van onverkende bronnen, die aan het bestaande onderzoek kunnen worden toegevoegd. Op Voertaal loopt zoals je weet een serie “breytenbachiana” met de titel ‘Breytenbach notitie’ – intussen zestien afleveringen (voor de meest recente bijdrage, zie: https://voertaal.nu/breytenbach-notitie-16-okhela-ondergronds-verzet-tegen-apartheid-tweespraak-van-yves-tsjoen-en-alwyn-roux/) – en ook over Krog zette ik een soortgelijke reeks op. In het deel met kronieken in Twee overzijden, dat wil zeggen in deel 1, bundel ik een aantal van deze recent geschreven bijdragen (online voorgepubliceerd in 2023 en 2024), aangevuld met méér kritische stukken, zoals over Orania en Afrikaner cultuurpolitiek, over Koos Human en de reeks ‘Literatuur van die Lae Lande’, over multiculturalisme en veeltaligheid, over Afrikaans in contact met andere Afrikatalen, et cetera. Ik plan daarnaast een artikel over Boudewijn Buch en Zuid-Afrika naar aanleiding van de televisiedocumentaire die Buch in de jaren negentig maakte en het verslag daarover in Een boekenkast op reis. Persoonlijke kroniek 1998 (uitgegeven door de Arbeiderspers in 1999). De kronieken sluiten deels naadloos aan bij parafernalia in het Breytenbachonderzoek (Breyvier). Met name de kritische reflecties over inter- en transculturaliteit, gesprekken met of reacties op inzichten van Antjie Krog over vertaling en de “interconnectedness” van verhalen en culturen in diverse taalgroepen, zijn een weergave van een aandachtsgebied dat de afgelopen tijd in mijn onderzoek op de voorgrond staat. Zeker nu ik op uitnodiging van het Stellenbosch Institute for Advanced Study (STIAS) zes maanden onderzoek verricht met het oog op onderzoek dat moet resulteren in (een gezamenlijk te ondernemen) literaire contactgeschiedenis van Afrikaans en Nederlands (zie verder). Ook de opstellenbundel met gevalstudies die ik samen met collega Alwyn Roux voorbereid, Cultuurtransmissie tussen Afrikaans en Nederlands, is onderdeel van het onderzoek en het schrijfproject.
Het fellowship bij STIAS nodigt mij uit om na te denken over, in gesprek te treden met collega’s en kritische bespiegelingen uit te werken met betrekking tot het veelzijdige en ambitieuze project. Er is nog veel braakliggend terrein. De resultaten van dergelijke denkoefeningen worden op Voertaal, Versindaba en ook op Samespraak én in diverse peer reviewed publicaties aangeboden.
Twee overzijden – met een verwijzing naar een klassiek gedicht van M. Nijhoff (‘De moeder de vrouw’) – bevat ook een deel met tweespraken: onderhouden met literaire actoren die als bemiddelaar kunnen worden beschouwd in de letterkundige tranzitzone tussen Afrikaans en Nederlands. Ik voer gesprekken met auteurs en vertalers, met uitgevers en academische collega’s op uitnodiging van SASNEV-Pinelands (januari-juni 2024: zie: https://voertaal.nu/bruggenhoofden-by-sasnev-yves-tsjoen-lei-saam-met-louise-viljoen-gesprekreeks-in-oor-letterkundes/) en op Voertaal. Ook mijn notitiereeks ‘Cahier van een lezer’ op Versindaba (tot vandaag vijftien afleveringen) draagt hiertoe bij.
Naast de culturele sleutelfiguren of dus bemiddelaars nodig ik Zuid-Afrikaanse auteurs uit wier werk is vertaald of die in de Lage Landen op aandacht kunnen rekenen door bemiddeling van vertalers en uitgeverijen, schrijvershuizen en letterenfondsen, festivalorganisatoren. Zowel de Zuid-Afrikaanse schrijvers Lynthia Julius, Ronelda Kamfer, Antjie Krog, Danie Marais, Charl-Pierre Naudé, Fanie Naudé, Jolyn Phillips, Alwyn Roux, Riana Scheepers, Etienne van Heerden, Eben Venter en Ingrid Winterbach als de Nederlandse auteurs Alfred Schaffer, H.C. ten Berge en Adriaan van Dis zijn genodigden, naast vertalers Robert Dorsman, Fanie Olivier en Rob van der Veer. Ik mocht trouwens in de gesprekkenreeks tevens met jou praten in jouw hoedanigheid van webbestuurder van Versindaba (poëzieblog met aandacht voor Afrikaanstalige en Nederlandstalige poëzie). Een aantal gesprekken staat nog op de agenda. De komende maanden worden verder uitgeschreven interviews online gepubliceerd. Ik tracht de kopij voor Twee overzijden tegen juni af te ronden – dus op het einde van het STIAS-research fellowship. Er staat de komende maanden dan nog een webinar van het Gents Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika op de planning, een digitale samenkomst waar de literaire geschiedschrijving een centraal topic is. Hierover later méér.
Om dus op je vraag te antwoorden: in dit opzicht is er een conceptuele verbinding tussen de drie essaybundels: telkens is de focus de literaire brug tussen Afrikaans en Nederlands, met aandacht voor receptiepatronen (van Afrikaanse literatuur) in een ander (taalverwant) cultuurgebied (Nederland en Vlaanderen – trouwens met diverse literaire culturen/systemen) en de intermediërende rol van literaire actoren. In de omgekeerde richting heeft de beoordeling van Nederlandse en Vlaamse literatuur in Zuid-Afrika mijn belangstelling. Tussen haken: ik hou nogal van de Engelse vertaling van “twee overzijden” in Nijhoffs gedicht: “far and near shores”.
Marlies:
Kan jy kortliks vertel waarna lesers in Twee overzijden kan uitsien? Wat is die sentrale tema van die bundel essays?
Yves:
Het boek Twee overzijden bundelt zoals gezegd net als de twee vorige uitgaven overwegend casestudies met aandacht voor het letterkundige en intersystemische gesprek tussen Afrikaans en Nederlands. De particuliere studies zijn de basis voor een breder opgezet literair-historisch project, een alternatieve want complementaire geschiedschrijving. Niet één taal of één natie staat centraal (zie ook jouw volgende vraag). In de geschiedschrijving van literatuur is in de negentiende en de vroege twintigste eeuw de verbinding tussen taal en plaats of natie nagenoeg als vanzelfsprekend beschouwd. Die opvatting is intussen gewijzigd. Linda Hutcheon en Steven Greenblatt schreven over de beperking van een nationale literatuur, eerder schreef de Amerikaan David Perkins in What is Literary History? (1992) over de beperking van een literatuurgeschiedenis tot één natiestaat en als een coherent verhaal. In Ongeziene blikken, een als boekje verschenen verantwoording van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur (9 delen), wordt er door beide hoofdredacteurs naar verwezen.
De literatuurgeschiedschrijving van een nationaal circuit – de literatuur van een natie – gold zowel in de Afrikaanse als in de Nederlandse literatuurstudie lange tijd als model voor overzichtswerken. Taalvermenging, of contacten tussen en zelfs vermenging van culturen, zijn de dagelijkse realiteit. Dat was ook in het verleden zo, maar paste niet in een nationalistisch project waarvoor literatuur- en cultuurgeschiedschrijving dienst deed. Mijn onderzoek richt zich specifiek op literair grensverkeer en taalverbanden, op cultuurtransfers of cultuurtransmissies van literatuur, op een contactgeschiedenis van literaire systemen: Afrikaans en Nederlands. Ik doe dat vanuit het besef dat een ontvangende cultuur veranderende en specifieke verwachtingen heeft van buitenlandse literatuur, dat bepaalde selectie- en canoniseringsmechanismen bestaan om buitenlandse teksten bekend te stellen voor de lokale markt, dat de doelcultuur voor zichzelf een beeld schept van anderstalige literatuur. Waarom ik die optie kies in mijn onderzoek, hoe ik het project aanpak en waarom het belangrijk is meer in te zetten op literatuuronderzoek en cultuurstudie in een internationaal en veeltalig perspectief, dus niet langer op één taal of op één natie gericht, heb ik het STIAS-seminaar uitvoerig verduidelijkt (https://stias.ac.za/2024/02/against-isolation-multilingualism-transnationalism-and-literary-dialogue-in-dutch-afrikaans-formations/). Later wordt de tekst publiek beschikbaar gesteld (zie verder).
Marlies:
In ʼn onderhoud op LitNet met Alwyn Roux op 16 Februarie 2024 gesels julle oor jou navorsingsverblyf in Stellenbosch https://www.youtube.com/watch?v=hbq2UKQlqRU Soos ons jou nou al as akademikus leer ken het, is jy weer eens besig met ʼn navorsingsprojek wat oorgrensstudies in Afrikaans en Nederlands fasiliteer en ondersoek. Ek verstaan dat ʼn volledige Literatuurstudie in die vooruitsig gestel word. Eerstens: In die lig van verskeie standaard-literatuurstudies in Afrikaans (o.a. Kannemeyer en Van Coller), wat gaan jou fokus vanuit ʼn Europese perspektief wees? In welke mate gaan julle vergelykend en trans-nasionaal te werk?
Yves:
Het zal interessant zijn, ook complementair ten opzichte van bestaande afzonderlijke Nederlandse en Afrikaanse literatuurgeschiedenissen (voor de twintigste eeuw o.a. Anbeek, Bel en Brems respectievelijk Antonissen, Cloete, Dekker, Kannemeyer, Van Coller en Koch), een studie klaar te maken over een geschiedenis van dialogen (culturele “cross-overs”) tussen beide literaturen. Deze contactgeschiedenis richt zich niet zoals gebruikelijk uitsluitend op schrijvers, teksten en genres, veeleer op de cultuurtransmissie en op sleutelfiguren die het literaire grensverkeer mogelijk maken of in die rol naar voren treden. Het betekent dat naast schrijvers, vertalers en uitgeverijen, redacteurs en tijdschriften, academici, vertaalfondsen en vele andere culturele actoren én instanties een plek moeten krijgen. Verbindingen tussen literaire circuits en culturen verdienen een institutioneel ruimere benadering dan een klassieke literaire historiografie betracht van een nationaal circuit, van een geografische plaats of van een taalgebied.
Voor het Nederlandse taalgebied is de voorbije jaren zoals al vermeld de Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur verschenen, met in beide delen over de twintigste eeuw een verwijzing naar het Afrikaans en Zuid-Afrika. In een verantwoording van de reeks wordt gepreciseerd dat “geen speciale aandacht [wordt] geschonken aan verwante, maar verschillend functionerende literaire systemen buiten én binnen het taalgebied, zoals […] de literatuur in het Afrikaans”. Verder staat genoteerd dat de Afrikaanse literatuur en andere literaire systemen “alleen ter sprake komen als er een nauwe aanraking bestaat met de dominante literaire systemen binnen het [Nederlandse] taalgebied” (mijn cursivering). Onder meer over de literatuur van het Afrikaans is onderstreept dat ze “over specifieke, eigen literatuurgeschiedenissen en eigen tradities van wetenschappelijke bestudering” beschikt. Behalve korte verwijzingen in letterkundige overzichten van het Afrikaanse respectievelijk het Nederlandse taalgebied is op heden geen overzichtelijke literatuurgeschiedenis beschikbaar waarin meer specifiek het wisselverkeer, soms de kruisbestuiving, en de literaire cultuur van twee taalgebieden vanuit comparatief perspectief aandacht krijgt.
Een pertinente vraag vanuit internationaal oogpunt is of soortgelijke literatuurgeschiedenissen zijn ontworpen op twee diverse taalsystemen gericht. Dergelijke intercontinentale overzichten, zoals tussen Afrikaans en Nederlands, zijn mij alvast niet bekend. Vele landen zijn meertalig. In elk van die talen worden een literatuur geproduceerd, niet geheel afzijdig van elkaar. Bestaan vergelijkbare literaire contactgeschiedenissen, waarbij uitwisseling van teksten, al dan niet met behulp van vertaling, een belangrijke rol speelt? In Duits, Engels, Frans en Spaans, zonder twijfel in méér niet-Westerse talen, wordt op diverse plaatsen in de wereld geschreven. In contact met verschillende culturen is die Duitse, Engelse, Franse, Nederlandse of Spaanse literatuur maatschappelijk en cultureel altijd weer anders ingebed. Engelse, Franse en Spaanse literatuur moeten worden beschouwd als “global phenomenon” (ik beperk mij hier tot Westerse talen). In deze talen wordt niet in één bepaalde natiestaat een literatuur geproduceerd maar dus globaal, op diverse plekken in de wereld. Het gaat over een polyfone Engelse, Franse en Spaanse literatuur. In veel beperktere zin geldt dat ook voor neerlandofone literatuur (de term is door Geert Buelens voorgesteld in een lezing voor de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren, Gent). Nederlandse literatuur wordt geschreven in de Lage Landen (Nederland en België), Suriname en de Antillen (Aruba en Curaçao, Sint-Maarten) en Indonesië (in koloniale tijd: Nederlands-Indië). Vroeger dus ook in Zuid-Afrika (in de Nederlandse en Britse koloniale periode).
De voorgestelde studie handelt samengevat over culturele interacties en opvallende convergenties tussen twee verschillende talen, elk met een eigen cultuurgeschiedenis en hun literaire traditie en in een eigen maatschappelijk, cultureel en politiek landschap. Figuren en instanties in het grensverkeer met een prominente positie worden in de schijnwerper gesteld. Naar mijn oordeel is die vorm van transculturaliteit tussen twee landen op verschillende continenten, tussen twee verschillende taal- en literaire systemen, nogal uniek.
Wordt vervolgd.
