EINDBESTEMMING VAN EEN DWAALLICHT
De bedenker van het allereerste woord
voelt hoe deze zomeravond opengaat.
Hij draait beide handen naar de wind
en maakt iets met een beetje zonlicht.
Hij brengt witte krassen aan in het heelal,
verkondigt meningen over een hiernamaals
en schept voldoening in een blauwe beker.
Het landschap raakt nu helemaal van streek.
Domheid heerst in het gezicht van de maan.
Dit schouwspel interpreteert hij als metafoor
en schetst dan een voorbeeld van een gedachte:
hypothese en apotheose zijn evenwaardig.
Dan noemt hij de vele namen van de ruimte,
hoort het eindeloos knarsetanden van de tijd.
Regendruppels vallen alleen in het meervoud.
Voortaan valt er hier niets meer te verzinnen.
© Willem M. Roggeman, 2026
