Yves T’Sjoen. Leesnotities. Stille waters hebben diepe gronden

De Franse (post)structuralist en onstuitbare beroepslezer Roland Barthes introduceerde ruim drie decennia geleden het intussen wijdverbreide begrip van ‘le texte pluriel’. Daarnaast maakte hij in dat inspirerende vertoog een onderscheid tussen ‘le texte lisible’ en ‘le texte scriptible’.  De auteur mocht dan wel dood en begraven zijn, de lezer was in geen geval datzelfde lot beschoren. Leesteksten en schrijfteksten dus. Literaire teksten kunnen – eenvoudig uitgedrukt – geconsumeerd worden en laten zich makkelijk eendimensionaal lezen. ‘Meerduidige’ teksten, en dat kunnen ook diezelfde teksten zijn, nodigen de lezer dan weer uit tot terugschrijven. In het eerste geval vertolkt de lezer de rol van passief consument, in het andere geval neemt die lezer deel aan een gesprek dat door de tekst wordt gevoed. De lezer is ook een auteur. En die schrijver is vandaag – sinds ‘the narcissistic turn’ meer dan ooit – springlevend.

Gisteren las ik – eindelijk – de recent verschenen compilatiebundel van Ger Groot die in de titel Papierverwerkende industrie refereert aan een uitspraak van ‘beroepslezer’ Gerrit Komrij. Ofschoon de Nederlandse filosoof niet expliciet spreekt over Barthes’ categorie van de ‘texte pluriel’ ligt die lezerspoëtica, en dus een duidelijk geprononceerde literatuuropvatting, aan de basis van Groots beschouwerspraktijk. In een stukje verwijst Groot een enkele keer naar Le plaisir du texte (1973) van Roland Barthes, met name in een reflectie op een andere bekende sensatie die met lezen gepaard kan gaan: ‘la jouissance’, of de genotservaring.

Vijf jaar schreef Ger Groot columns voor De Groene Amsterdammer. In die prettig contemplerende stukjes recenseerde hij niet zozeer de lopende literaire productie die tijdelijk, professioneel of opgelegd zijn belangstelling kreeg. De primaire tekst deed altijd weer dienst als aanzet (‘als inspiratiebron’) voor een vorm van ‘terugschrijven’. Die specifieke leeshouding wordt in het inleidende essay van het boek ‘het wilde lezen’ genoemd. Daarin zet de auteur zich niet alleen neer als boekenfetisjist, met een obsessionele leeshonger. Hij heeft het niet alleen – ietwat pontificaal – over de meerwaarde van lezen, of over de wijze waarop lezen nieuwe perspectieven creëert en vastgeroeste ideeën doet bijstellen. Lezen geeft hij in eerste instantie een existentiële invulling. Niet Barthes maar wel die andere Franse filosoof Sartre wordt opgevoerd als mentor: ‘Rond mijn twintigste begon ik boeken te lezen in het bewustzijn dat ik er achteraf iets over schrijven moest. Nog geen tien jaar later las ik alléén nog om er iets over te schrijven – zo niet direct dan toch later […]. Zo viel mijn leven gaandeweg steeds meer samen met de tweedeling waarin Sartre zijn autobiografie verdeelde: lire en écrire – zij het dan dat beide elkaar met een lichte faseverschuiving grotendeels overlapten. Het schrijven werd de echo van het lezen en mijn boekenkast het stille water waarin ik mij als Narcissus steeds meer weerspiegeld zag’.

Groot omschrijft zijn columns in De Groene – veruit het meest lezenswaardige weekblad in Nederland – als een ‘weekboek van een veellezer’, waarin ons genereus toegang wordt verleend tot de ‘leeswereld’ van de auteur, in de intimiteit van de boekenkamer. Die wereld is rijk geschakeerd. Romans, poëzie, filosofische en historische werken, essays, vertalingen, wetenschappelijke studies: ze maken alle deel uit van het narcistische universum dat de schrijver met zijn lezer wil delen.

Terugschrijven blijktin Groots geval  een productieve onderneming te zijn. Een praktijk die onmiskenbaar prikkelend is (zoals Groots bijdrage over ‘taalgebruik […] als een vorm van gedrag’ – een visie die de filosoof Richard Rorty in Contingentie, ironie en solidariteit poneert), ook wel amusant (als de auteur boekwetenschappelijke en cultuursociologische onderzoeksbevindingen over bijvoorbeeld de kleur van boekomslagen en de boekenverkoop becommentarieert), hier en daar revelerend (‘de lezer als vinder van wat hij niet zoekt’). Maar die ook soms irritatie opwekt (zoals in de herhaalde stelling over de relatie tussen literatuur en werkelijkheid en de vermeende autonomie van de literatuur, bijvoorbeeld in het stukje over de gedichtenreeks ‘Zestien’ en de waan van Gerrit Achterberg) en hier en daar ongegeneerd een open deur intrapt (zoals in de particuliere beschouwingen over de tegengestelde werelden van erotiek en pornografie). Opmerkingen als ‘literatuurstudie [die] nooit helemaal een wetenschap [kan] worden’, hebben we natuurlijk al uitentreuren moeten lezen.

Afgezien van deze bedenkingen en de al te grove categorisering van een onmiskenbaar veel rijker en ritmisch gestructureerd corpus van helder geschreven visies en spitante commentaren, nodigt Ger Groots verzamelbundel voornamelijk uit tot kritische reflectie, en eigenlijk tot terugschrijven. Met Groot deel ik de fascinatie voor Barthes’ Het plezier van de tekst. Dat fragmentarisch proza diep ik geregeld op en zit het dan weer met instemming en nog vaker hardop te lezen in mijn boekenkamer. Hardop lezen is overigens een expressievorm die zich bij Groot wel eens manifesteert als het herlezen wordt aangevat. Herlezen is voor de veellezer dan weer een sensatie die met het ouder worden steeds vaker wordt ondernomen. Lezen wordt alsmaar meer herlezen. ‘[Een] boek [laat] zich eindeloos herlezen. Of de lezer allang weet wat er staat, doet er niet meer toe. […] Jaar na jaar [herlees ik] sommige hoofdstukken, verzen, dialogen of passages uit boeken die mij dierbaar zijn geworden. […] Wat ooit leesbaar was omdat het nog niet gelezen was, moet gelezen blijven worden om steeds weer  nieuwe diepten en betekenissen te laten zien’. Deze poëticale passage bouwt verder op het concept van de ‘texte pluriel’: een aansprekende literaire tekst laat zich niet consumeren. De lezer wordt in een actieve, betekenisgevende rol gedwongen en ziet zich geconfronteerd met zijn vroegere lezing die altijd beperkt bleek. We herzien immers ook voortdurend onze proposities in die act van het herlezen. Lezen lijkt in dat opzicht op het (h)erkennen van de blinde vlekken in onze benadering van teksten.

De papierverwerkende industrie. Lezen als beroep presenteert de beschouwingen en bespiegelingen van een schrijver die zich als professioneel ‘wilde lezer’ opvoert. Het boek bleef tot mijn niet geringe verbazing de voorbije maanden zo goed als onopgemerkt in de Nederlandstalige literatuurkritiek. Terugschrijven nodigt klaarblijkelijk niet langer uit tot verder dialogeren.

Hoe ongedwongen en existentieel de beschouwerspraktijk van Groot ook wordt voorgesteld (lezen is leven/leven is lezen), in de opeenvolging van columns kan worden vastgesteld dat ook deze lezer natuurlijk niet zomaar een dilettantische veelvraat van de letteren is. Elke lezer, ook die ‘wilde’ lezer, staat vooringenomen in het literaire veld. Ger Groot is een lezer die sinds kort als bijzonder hoogleraar Filosofie en literatuur is verbonden aan de Radboud Universiteit van Nijmegen. En dat de eerste publicatie in De Groene Amsterdammer te lezen was, zegt ook iets over die positie van de lezer in het veld. Een lezer is nooit zomaar een lezer.

Tot slot nog een korte bedenking. Verwondering is zowel voor de wetenschapper als voor de lezer een aanzet, een prikkeling om de dingen anders te zien. Die fascinatie ligt soms expliciet ten grondslag aan menig stukje, maar naast fascinatie ook ontreddering, hier en daar onverholen weerzin en zelfs ironisch scepticisme. Er wordt door Groot niet zomaar in het wilde weg gelezen, en wat gezegd wordt getuigt van een presuppositie omtrent de (invulling van en verwachtingen omtrent)  literatuur. Op zijn best is Groot wanneer hij ontdekkingen deelt, zoals de referentie aan de vijftiende-eeuwse schilder Jeroen (Hiëronymus) Bosch in Lennaert Nijghs liedtekst ‘Eva’ (door Boudewijn de Groot) of het drankgebruik in de klassieke Perzische poëzie.

Lezen geschiedt kortom altijd vanuit een bewustzijn. Niet het minst van een institutionele positie. Onbevlekt staan we immers nooit in ons eigen particuliere universum. Schrijven en zeker terugschrijven is altijd een kwestie van ideologie. We laten alleen zien wat we willen laten zien, we schrijven alleen zoals we de dingen willen en kunnen zien, we schrijven zoals we gelezen willen worden.

In deze omstandige en springerige beschouwing naar aanleiding van Papierverwerkende industrie van Groot, een boek dat me zoals duidelijk is geworden uitnodigt te reageren, zit veel vervat over intenties. Op de wekelijkse blog van Versinbada wil ik als (her)lezer reflecteren op teksten die ik nu op een andere manier lees dan toen ik ze voor het eerst mocht ontdekken. Vooral teksten die nu nog steeds uitnodigen tot terugschrijven wens ik bij voorkeur in mijn narcistisch universum opgenomen te zien.

De leesnotities zal ik weliswaar afwisselen met wat Louis Esterhuizen aanvankelijk vroeg: berichten over gebeurtenissen en belangwekkende polemieken of evenementen in de laaglandse literatuur.

 

Ger Groot, De papierverwerkende industrie. Lezen als beroep. Ambo, Amsterdam 2009.

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •