Er is geen moraliteit op het strand
Je schildert vieze woorden op het beeld van een ziekelijke monarch
Hij staat met zijn rug naar de zee
Van alle monarchen die we verguizen is hij de weekste
Dus kunnen we niet echt kwaad zijn op hem, dus moeten we
Onze kwaadheid omgorden en een andere plek vinden om haar te vieren.
We vinden een strandcabine met daarin de gierige landmeter
Hij eet krieken uit een grote bokaal en staart met afgrijzen
Naar het schaamhaar van zijn moeder dat komt piepen uit haar gele zwembroek
De mannen van het strand die haar zoon niet zijn verlustigen zich
In haar heerlijke zachte zoete dikke barstensvolle borsten, ze negeren haar tepels.
Je neemt de bokaal uit de handen van de landmeter
En drinkt het sap dat is overgebleven, mijn badpak is blauw en sportief
Niemand weet dat ik roggen mooier vind dan mensen
In de zee denk ik aan alle maaltijden die ik heb afgeslagen
En aan alle verzoeningen die ik heb uitgesteld, ik denk dat het niets uitmaakt.
Mijn vader ligt op een luchtmatras, twee dweperige kinderen
Proberen hem voor zich te winnen, ze denken dat hij een bekende
Zuid-Afrikaanse crooner is, maar hij is slechts een sentimentele straatmuzikant met een bochel
Ik vraag aan God of het waar is dat mijn jongste zusje gisteren
Een televisiepriester heeft vermoord, maar Hij wil niet antwoorden.
Ik probeer de moed erin te houden
Omdat ik beloofd heb aan de oude kruisboogschutter
Dat ik mijn kop niet zou laten hangen
Als je over de duivel spreekt
Daar staat hij, hij kust de hals van een Filippijnse trapezedanseres, al kan ik dat niet weten.
© Delphine Lecompte 2018
