
Dimitri Shostakovich – 24 Preludes en fuga’s, Op. 87 (1952)
In 1950 had de Russische componist Dimitri Shostakovich (1906-1975) zitting in het jurypanel van het eerste International Bachconcours in Leipzig. Geïnspireerd door met name de vertolking van Bachs Wohltemperiertes Klavier door pianiste Tatjana Nicolajeva (1924-1993) begon hij bij thuiskomst aan de compositie van zijn eigen versie van Bachs bouwwerk. Telkens als hij een deel had voltooid, nodigde hij Nicolajeva uit het te komen spelen. Zij verzorgde de première in Leningrad op 23 december 1952 en het geheel is ook aan haar opgedragen.
Nicolajeva’s interpretatie is eenvoudig via Spotify te vinden. Ik heb het in de uitvoering van Shostakovich zelf leren kennen, via een uitgave van Shostakovich Plays Shostakovich, die een goede vriendin eens voor me op een cassettebandje had gezet. Daardoor heeft die versie waarschijnlijk mijn voorkeur. De interpretaties verschillen niet eens zo veel, maar de (overigens niet complete) uitvoering van Shostakovich zelf komt me dwingender voor, ‘urgenter’, om dat woord maar weer eens van stal te halen. Misschien is dat eenvoudigweg de opnamekwaliteit, of het gegeven dat ik het via een cassettebandje heb leren kennen. Er zat een zekere trilling in de klanken van Shostakovich’ pianospel waar ik erg van hield. Ik heb ook de indruk dat zijn aanslag net iets beslister is, maar dat kan met hetzelfde te maken hebben.
Shostakovich zette de structuur van het bouwwerk anders op dan zijn voorbeeld had gedaan. Bach componeerde zijn Wohltemperiertes Klavier volgens de majeur-mineur paren (C groot – c klein, Cis groot – cis klein, etc.), oplopend volgens de chromatische toonladder. Shostakovich componeerde de 24 Preludes en fuga’s volgens de parallelle toonsoorten, aan de hand van de kwintencirkel (C groot – a klein, G groot – e klein, etc.). Net als bij Bachs Wohltemperiertes Klavier wordt elke toonsoort vertegenwoordigd door twee stukken: een prelude, die wordt gevolgd door een fuga die voortborduurt op de voorafgaande prelude.
Dit strakke raamwerk zorgt voor de ideale context voor de beweeglijke muziek van Shostakovich. Het voelt alsof de melodieën willen ontsnappen, alsof de noten willen ontkomen aan hun toonsoort. Zoals taal in goede poëzie wil ontkomen aan de grammatica. Ik vind het bij de Preludes en fuga’s moeilijk om er de vinger op te leggen. Is dat omdat Shostakovich altijd een gespannen verhouding had met het communistische regime? Of is het eenvoudigweg omdat de Preludes en fuga’s zich bevinden in het tijdperk van de overgang naar atonaliteit? De invloed van jazz?
Het verschil tussen Bach en Shostakovich mag helder zijn en de recreatie van het Wohlemperiertes Klavier is indrukwekkend in zowel de overeenkomsten als in de verschillen. Vergeleken bij Bach is Shostakovich persoonlijker, gevoeliger – of zo je wilt, sentimenteler. De Preludes en fuga’s omvatten het hele palet: van vredige, haast meditatieve muziek, naar woedende, symfonisch aandoende delen. Hij verwijst in zijn muziek zowel naar (o.a.) jiddische muziek, als naar Russische volksmuziek en componisten als Moessorgsky – ook dat veroorzaakt de kenmerkende spanning. Shostakovich balanceerde tussen enerzijds de eisen van het regime (aan het begin van de Koude Oorlog bleef veel van Shostakovich’ werk onuitgevoerd) en anderzijds zijn artistieke integriteit.
Tatjana Nicolajeva nam de volledige cyclus verschillende malen op. De opname van Shostakovich is opvallend, omdat hij zich vaak niet aan zijn eigen aanwijzingen en tempo-aanduidingen hield. Binnen het imposante oeuvre van Shostakovich zijn de 24 Preludes en fuga’s wellicht niet eens het meest geliefd. Maar voor mij is het een van die zeldzame momenten waarin alle puzzelstukjes van een groot kunstenaarschap in elkaar vallen.
Mooi (1): Jean Fouquet – Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen (circa 1450)
Mooi (2): Elliott Smith – From a basement on the hill (2004)
Mooi (3): Herman Gorter – Liedjes aan de Geest der Muziek der Nieuwe Menschheid (1930)
Mooi (4): Gustave Courbet – De oorsprong van de wereld (1866)
Mooi (5): Pablo Picasso – Fille devant un miroir (1932)
Mooi (6): Anne Frank – Het Achterhuis (1947)
Mooi (7): Aaron Kunin – Love Three (2019)
Mooi (8): Barbara Corday en Barbara Avedon – Cagney & Lacey (1981-1988)
Mooi (9): Deborah de Robertis – Miroir de l’origine (2014)
Mooi (10): Chr. J. van Geel – Het Zinrijk (1971)
