
Paul van Ostaijen – De Feesten van Angst en Pijn (1918-1921)
Het meest gedurfde en baanbrekende werk van de Vlaamse dichter Paul van Ostaijen (1896-1928) is niet tijdens zijn leven gepubliceerd. Voor die tijd was de uitgave van De Feesten van Angst en Pijn te ingewikkeld en te duur, zeker ook omdat Van Ostaijen geen goed verkopende dichter was. De woorden waren wild over de bladspiegel verspreid: horizontaal, verticaal, diagonaal, in verschillende formaten en – het grootste probleem – in verschillende kleuren. De bundel werd opgenomen in het postume verzameld werk, Gedichten, dat direct na Van Ostaijens dood in 1928 werd verzorgd door E. du Perron en Gaston Burssens. Hierin werd het lettertype van het oorspronkelijke handschrift zo veel mogelijk geïmiteerd, maar de kleurstelling werd achterwege gelaten. Pas in 2006 verscheen een facsimile-uitgave van het oorspronkelijke handschrift (met een helder nawoord van Geert Buelens) en werd pas goed duidelijk welke kakofonie aan beeld en geluid Van Ostaijen met de Feesten voor ogen had gestaan. Hoezeer Van Ostaijen had geprobeerd de grenzen van de taal op te rekken – en te overschrijden.
Van Ostaijen schreef De Feesten van Angst en Pijn direct na de Eerste Wereldoorlog in Berlijn. Daar was hij naartoe gevlucht om te ontkomen aan arrestatie in België. Tijdens de oorlog was hij activist geweest voor de Vlaamse zaak en in het verlengde daarvan voor de Europese revolutie. Hij had de verordeningen van de Belgische regeringen naast zich neergelegd en meegewerkt aan verboden publicaties. Pas na zijn terugkeer in 1921 werd duidelijk dat hij zijn straf niet zou hoeven uitzitten. In Berlijn maakte hij een diepe persoonlijke crisis door: hij was er neerslachtig en eenzaam en op politiek, professioneel en persoonlijk vlak zat hij op een dood spoor. ‘Débacle’ is een belangrijk woord in de bundel. Het eerste gedicht schreef hij in november 1918, temidden van de revolutionaire bewegingen die de kop opstaken na de capitulatie van Duitsland. In april 1921 schreef hij het manuscript over en stuurde hij het naar zijn vriend Oscar Jespers, de beeldhouwer aan wie de bundel ook is opgedragen. Enkele gedichten verschenen tijdens Van Ostaijens leven in tijdschriften, maar het manuscript zelf had dus nog een lange weg te gaan, waar het in dezelfde periode geschreven Bezette stad wel werd uitgegeven.
Beide bundels, maar de Feesten verhevigd, getuigen van het besef dat taal bestaat uit zowel klank als beeld. Van het eerste is ‘BOEM Paukeslag’, uit Bezette stad, misschien wel het bekendste voorbeeld uit de Nederlandstalige literatuurgeschiedenis. Het woord is het geluid (het is een onomatopee), maar het is dat ook vanwege de vormgeving: het woord ‘Boem’ staat als een explosie in het gedicht. Van Ostaijen buit in De Feesten van Angst en Pijn deze beide taaleigenschappen tot hun uitersten uit. De woorden schetteren letterlijk van de pagina (in zes kleuren, kapitalen, sierlijke letters en uitroepen); en ze dansen letterlijk over de bladspiegel (horizontaal, diagonaal, verticaal; inspringend en gecentreerd). De gedichten hebben een onontkoombaar ritme. Het is daarmee niet alleen een dichtbundel, maar ook een (jazzy) muziekstuk. En omdat er ook visueel ontzettend veel gebeurt, zou je de bundel net zo goed kunnen beschouwen als een (expressionistisch) beeldend werk.
Ook semantisch zijn de Feesten bijzonder rijk. Bewust liet Van Ostaijen alleen de meest betekenisvolle woorden staan: al het andere werd geschrapt, terwijl wel het dwingende ritme werd gehandhaafd. Zo komt de taal onder een enorme spanning te staan en geven de gedichten uiting aan de heftige emoties waar Van Ostaijen in Berlijn aan ten prooi viel. Zijn crisis was existentieel: daarvan getuigen met name de meer mystieke gedichten, waarin hij zijn ambivalente houding ten opzichte van het katholicisme uitdrukt, en die uitmonden in zelfverlies, cynisme en zelfdestructie.
Oscar Jespers doneerde het manuscript aan het eind van zijn leven aan een Antwerps archief. Hoewel de pagina’s licht vergeeld zijn en de inkt iets is vervaagd, doet de facsimile-uitgave van 2006 het manuscript eindelijk recht, bijna 80 jaar na de dood van de dichter. De uitgave laat het lef en de ambitie van Van Ostaijen zien, en zijn uitzonderlijke virtuositeit.
Mooi (1): Jean Fouquet – Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen (circa 1450)
Mooi (2): Elliott Smith – From a basement on the hill (2004)
Mooi (3): Herman Gorter – Liedjes aan de Geest der Muziek der Nieuwe Menschheid (1930)
Mooi (4): Gustave Courbet – De oorsprong van de wereld (1866)
Mooi (5): Pablo Picasso – Fille devant un miroir (1932)
Mooi (6): Anne Frank – Het Achterhuis (1947)
Mooi (7): Aaron Kunin – Love Three (2019)
Mooi (8): Barbara Corday en Barbara Avedon – Cagney & Lacey (1981-1988)
Mooi (9): Deborah de Robertis – Miroir de l’origine (2014)
Mooi (10): Chr. J. van Geel – Het Zinrijk (1971)
Mooi (11): Dimitri Shostakovich – 24 Preludes en fuga’s, Op. 87 (1952)
Mooi (12): The Beatles – The White Album (1968)
Mooi (13): Hadewijch – Visioenen (begin 13de eeuw)
Mooi (14): René Girard – La Violence et Le Sacré (1972)
Mooi (15): Claude Monet – Les Nymphéas (1914-1926)
Mooi (16): Alfred Schaffer – Wie was ik (strafregels) (2020)
